Tijdlijn

Vanaf 1932

Klik op het betreffende document voor een vergroting.
Veel van de getoonde documenten werden in 2007 door mij persoonlijk en met instemming van het Nationaal Archief gefotografeerd.

28 december 1932 – De bruiloft van mijn ouders

De trouwakte van mijn ouders afgegeven in Den Haag.
Direct na de bruiloft verhuisden zij naar Berlijn en startten daar de uitgeverij ‘Holle Verlag’.
In april 1932 had mijn vader zijn studie rechten in Leiden afgebroken, hoewel hij nog maar drie maanden te gaan had. Om een uitgeverij te beginnen had hij de rechtenstudie niet nodig.
Op dit document uit 1932 missen de handtekeningen van zijn ouders. Zij waren niet aanwezig op de bruiloft.
Het hoe en waarom leg ik uit in mijn boek, Jalna. Evenals de argumenten van mijn ouders om naar Berlijn te verhuizen.

30 januari 1933 – Hitler wordt Kanselier van Duitsland

Met de verkiezing van Adolf Hitler tot Kanselier van Duitsland eindigde de Weimarer Republik (1918 – 1933).
In het verdrag van Versailles van 1919 werd Duitsland volledig en als enige schuldig verklaard aan het uitbreken van de 1e wereldoorlog. De gevolgen van dit verdrag waren voor Duitsland desastreus. De herstelbetalingen waren niet gelimiteerd en bleken nauwelijks op te brengen. Bovendien voelde Duitsland zich door het verdrag niet eerlijk behandeld en diep gekrenkt. Dit diepgewortelde gevoel van onrecht en de grote recessie van 1929 maakten de weg vrij voor de Nationaal Socialisten in 1933. Mede door de onvrede in Duitsland kregen zij veel aanhang.

1 september 1939 – Het begin van de tweede wereldoorlog door aanval op Polen

De troepen van de Duitse Wehrmacht vielen op 1 september 1939 Polen binnen, met de beschieting vanuit de Oostzee van de Westerplatte bij Danzig (het huidige Gdansk in Polen). Aanleiding was een provocatie door “Poolse” troepen. Vermoedelijk waren het geen Polen, maar Duitsers die deze provocatie uitvoerden.

9 mei 1940 – Het begin van de tweede wereldoorlog voor Nederland

Mijn ouders verlieten even later Berlijn en gingen terug naar Den Haag, Lyceumplein 35 (nu Louis Couperusplein 35). Mijn twee oudere zusters waren geboren in 1935 en 1936 in Berlijn, ik werd in 1942 geboren in Den Haag.

10 januari 1944 – Onze verhuizing naar Putten


Wij verhuisden naar Putten, naar de Schoonderbeeklaan 41 en huurden voor tien jaar het huis genaamd Jalna. Het huis was eigendom van mijn oom Louis, een broer van mijn vader. Wij woonden er slechts 15 maanden, van januari 1944 tot april 1945. Onze inschrijving bij de gemeente Putten vond plaats op 18 januari 1944. In genealogische documenten vond ik dat een oom van mijn moeder, de architect Everwijn Verschuijl (1871-1954), al in 1943 de verbouwing regelde, terwijl de koopakte pas in 1944 werd gesloten.

Niet ver van de plek van waaruit deze foto werd genomen staan de stallen van onze stoeterij.


11 februari 1944 – De eerste steen van de paardenstallen


Deze eerste steen van de stallen voor onze stoeterij ‘De Viking’.
Voor een totaalbedrag van ƒl. 151.000 hadden mijn ouders in de jaren 1942 en 1943 in Frankrijk zes volbloed paarden gekocht om racepaarden mee te fokken, vijf merries en één hengst.
Omgerekend naar 2018 had deze stoeterij een waarde van € 1 miljoen euro. Een enorm bedrag.
Er werden vijf veulens geboren. Voor één ervan werd ons in 1944 een bod gedaan van ƒl. 25.000. Kennelijk vonden mijn ouders dit veulen meer waard, want het bod werd afgeslagen.

30 september 1944 – De aanslag bij de Oldenallerbrug op een auto van de Duitse Wehrmacht

Deze aanslag op de weg tussen Nijkerk en Putten vormde de aanleiding voor de razzia één dag later.

1 en 2 november 1944 – De razzia van Putten

Ruim 600 mannen tussen 18 en 50 jaar werden weggevoerd, slechts 48 van hen kwamen na de bevrijding levend terug. Ondervoed en ziek.

18 november 1944 – De brief van mijn moeder over de razzia en over onderduikers

Op pagina 318 van mijn boek Jalna (4e druk)

Links het belangrijkste deel van de brief van mijn moeder aan haar vriendin Heddy de Geer (de vrouw van Pyke Koch, de kunstschilder) gedateerd 18 november 1944 (zeven weken na de razzia van Putten).
Rechts de twee pagina’s in zijn geheel. De toelichting en het commentaar op de brief staan in mijn boek.

18 april 1945 – De bevrijding van Putten

Begin mei 1945 werd mijn vader, onder bedreiging van een geweer, opgebracht naar het politiebureau van Putten en daar vastgezet. Mijn oudste zuster was toen tien jaar oud en ziet dat nog helder voor zich. Het begin van veel ellende.
Mijn tweede zuster herinnert zich dat zij chocola kreeg van een Canadese soldaat bij een tank. Omdat zij jarig was.

26 mei 1945 – De inbewaringstelling van mijn vader

Pagina 321 (4e druk)

De inbewaringstelling van mijn vader op 26 mei 1945 op grond van de verdenking van het lidmaatschap van de NSB in Nederland en het uitgeven van NS-propaganda.
Mijn vader was lid van de NSB-Kring Berlijn gedurende enkele jaren. In Nederland is hij nooit lid van de NSB geweest. Niet in Den Haag en niet in Putten. Een lidmaatschap van de NSB in Nederland was strafbaar, een lidmaatschap in Berlijn niet. Wat is het verschil?

Het lidmaatschap van de NSB was in Nederland vrijwillig. Je werd lid van de NSB als je achter de uitgangspunten van de NSB stond. Uit overtuiging.
In Berlijn was het lidmaatschap niet vrijwillig, je werd geacht lid te zijn. Je kon je er aan niet onttrekken en het had niets te maken met je overtuiging. Je had weinig keus.

Dit document geeft een toelichting op de door mijn vader uitgegeven boeken in Berlijn en Den Haag. Het onleesbare stukje in het midden van deze pagina beschrijft dat mijn vader vooral vertalingen uitgaf van boeken uit andere talen.
Er staat letterlijk: Nationaal-Socialistische Lectuur heb ik nooit uitgegeven.

De inbewaringstelling van mijn ouders betekende internering gedurende zes respectievelijk zeven maanden in de kazerne van Harderwijk en overname van het beheer van ons vermogen door het NederlandsBeheersinstituut (NBI). Het NBI besteedde dit beheer uit aan verschillende partijen.
De gevolgen voor ons vermogen waren rampzalig. Controle op het beheer vond onvoldoende plaats. Dat vond ook het ministerie van justitie in die tijd. Consequenties heeft deze constatering nooit gehad. Niet voor de beheerders en helaas ook niet voor ons. Ons vermogen waren wij kwijt.

14 juli 1945 – Het begin van het beheer door het Nederlands Beheersinstituut (NBI)


De inboedel van ons huis werd door mijn ouders voor ƒl. 75.000 verzekerd. Mijn vader kennende was dit een lage schatting. Omgerekend in koopkracht komt dit overeen met ruim € 450.000 in 2018.
Door het militair commissariaat voor het rechtsherstel (M.C.R.H.) werd nadrukkelijk gewezen op de aanwezigheid van zeer waardevolle voorwerpen en kunst in ons huis. Deze mochten onder geen enkele voorwaarde het huis verlaten. Toch gebeurde precies dat.
Consequenties hebben deze ongeoorloofde handelingen voor geen van de beheerders gehad. Er werden taxaties in opdracht gegeven en naderhand door de opdrachtgever van de taxatie voorwerpen gekocht uit deze inboedel, deels zonder recht van wederinkoop. Een platina horloge werd ‘verkocht’ voor ƒl. 25,00 en een zilveren blad met een gewicht van 2 kg (!) voor ƒl. 40,00. Het is mij bekend wie de koper was. Andere voorwerpen zijn gewoon verdwenen.

6 november 1945 – Het proces-verbaal van een onderduiker


Pagina 324 (4e druk)

Het proces verbaal van de heer Van den Born afgegeven op 6 november 1945 nadat hij in november 1944 (enkele weken na de razzia) twee weken bij ons in huis was ondergedoken geweest en veiligheid had gevonden. Over de razzia schrijft mijn moeder in de brief op pagina 318.

Dit is een transcriptie van een handgeschreven document uit november 1945. In geen enkel verslag wordt dit document genoemd.
In zijn verklaring vermeldt hij zeven andere onderduikers die hij tijdens zijn verblijf in ons huis aantrof. Naast een familie bestaande uit vijf personen uit Den Haag ook nog twee jongens uit Rotterdam.
De heer Van den Born is enkele jaren later geëmigreerd naar Vancouver in British Columbia. Ik had hem voor zijn moeite willen bedanken, maar hij was al overleden en nazaten heb ik niet kunnen vinden.

Uit verhalen van Suta weet ik dat er in totaal 28 onderduikers bij ons in huis zijn geweest in de loop van vijftien maanden wonen in Putten. De meesten vermoedelijk tegen het einde van de oorlog.

26 september 1946 – Onze vlucht naar Frankrijk

Na de internering gedurende vele maanden werden enkele anonieme brieven ontvangen door justitie in Den Haag. Deze brieven werden door mijn ouders als zeer bedreigend ervaren, omdat zij het vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem waren kwijtgeraakt en er ernstige beschuldigingen werden geuit. Mijn ouders zagen zich genoodzaakt om Nederland te verlaten en in Frankrijk onder te duiken. Bijna drie jaar woonden wij daar illegaal, want zonder paspoorten, en in armoede. Mijn jongste zuster werd daar in maart 1947 geboren. Zelfs rond die bevalling hoorden wij nog van valse beschuldigingen uit Putten. Zo zouden mijn ouders maart 1947 deel uitmaken van de society van Den Haag en zich daar goed vermaken. Pas medio 1949 (na de ontlastende brief van het NBI) durfden wij weer naar Nederland terug te keren. De dreiging was over.

4 maart 1949 – De verklaring van het NBI: geen nazi-propaganda gemaakt

Pagina 337 (4e druk)
Dit document toont de conclusie van ‘Het Nederlandse Beheersinstituut’ (NBI) over de verdenking op het uitgeven van nazi-propaganda in de uitgeverijen in Berlijn en Den Haag. Zij achtten bewezen dat mijn vader nooit nationaal-socialistische lectuur had uitgegeven.

Zie de volgende zinnen:
Terwijl ondanks de belangrijke deelneming van de stichting “Nederlandsche Letterkunde”, de N.V. blijkbaar geen nationaal socialistische propaganda heeft gemaakt.
Met de stichting “Nederlandsche Letterkunde” wordt vermoedelijk de Kultuurkamer bedoeld. Dus, ondanks de bemoeienis van deze Pro-Duitse stichting met de uitgeverij, heeft mijn vader geen NS-propaganda uitgegeven.

In mijn kwaliteit van beheerder over het vermogen van de heer G. Du Ry van Beest Holle behoud ik mij alle rechten t.o.v. de vroegere bestuurder A.A.M. Stols voor.
Het NBI was blijkbaar niet te spreken over het gevoerde beheer door de vroegere bestuurder. Toch werden beide uitgeverijen geliquideerd.
Ook deze uitspraak heeft uiteindelijk geen effect gehad. Er is niets mee gedaan.

Als reden voor de onderbeheerstelling van de Haagse uitgeverij wordt alleen aangegeven: vijandelijk vermogen. Verder is er nergens sprake van concrete verkeerde, laat staan strafbare handelingen.
Hier had naar mijn mening moeten staan: Mogelijk vijandelijk vermogen.

14 juni 1949 – Het einde van het beheer door het NBI

Het document waaruit het formele einde van het beheer over ons vermogen blijkt.

De brief wordt geschreven door de heer Groothengel vanuit het hoofdkantoor van het NBI en is gericht aan het kantoor in Den Haag. De brief zelf is gedateerd 4 juli 1949, maar in de brief wordt het formele einde op 14 juni 1949 bepaald. Pas ongeveer drie weken na de formele opheffing van het beheer werd ons dit meegedeeld.

Toch werden er nog delen van onze eigendommen verkocht na de opheffing van het beheer over ons vermogen. Nog in september 1949. Zie hieronder.

Naar aanleiding van deze brief durfden wij uit Frankrijk terug te keren naar Nederland, om tijdelijk te gaan wonen in Bussum. Even ervoor hadden mijn ouders hun paspoorten weer ontvangen. Ook dat gaf hen het gevoel van veiligheid terug.

29 september 1949 – De verkoop van de paarden na het einde van het beheer

In de brief van het advocatenkantoor Visser&Mr.Bomers vond ik deze informatie over de paarden van de stoeterij ‘De Viking’.
Van belang is hierbij het moment van verkoop.

De jonge hengst Akbar geboren te Putten in 1944.
Deze is door het NBI op 29 september 1946 (dus na de feitelijke beëindiging van het beheer) publiek verkocht voor ƒl. 650.
Voor dit paard wordt in 1944 reeds ƒl. 25.000 geboden. Tot 17 september 1945 was dit paard te Putten gestald, daarna in Den Haag. De uitgaven voor dit paard, door het NBI in rekening gebracht bedroegen ƒl. 2.486,25, zodat de verkoop een negatief saldo opleverde van ƒl. 1.855,25.

Uit deze brief blijken drie dingen:
– de grote waarde van zowel paarden als veulens
– de onjuiste rol van het Centraal Bestuur voor het Draf- en Renwezen
– het NBI is ernstig te kort geschoten in zijn controlerende functie


28 december 1949 – Alle verdenkingen ongegrond

Resultaat onderzoek van door mij ingehuurde historicus in 2017
Inv.nr.157451
In de map 1949 bevindt zich deze brief geschreven door de heer W. Verploegh Chassé. In 2007 en 2018 bleek dat het origineel van dit document niet meer aanwezig was. De historicus kon het eveneens niet vinden. Gelukkig had ik in 2007 al een foto van deze kopie van het origineel gemaakt. Ondanks de daarin verwoorde conclusie dat mijn vader geen propaganda voor de nazi’s had gemaakt, bleef het het beroepsverbod van kracht tot 17 september 1951. De zuiveringsraad was niet bereid het beroepsverbod van mijn vader op te heffen.
Lid van die Zuiveringsraad voor de uitgeverij en het boekbedrijf was voor zeer korte tijd de heer Stols, de beheerder over onze uitgeverijen. Dat de heer Stols blijkens documenten een schuld had aan mijn vader doet hierbij wat ongemakkelijk aan. Hoe dan ook, er bleef mijn vader niets anders over dan opnieuw Nederland te verlaten en in Duitsland de uitgeverij te herstarten. Uiteraard vertrokken wij met het hele gezin.
De Zuiveringsraad voor de Uitgeverij ressorteerde onder de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven van het Ministerie van Economische Zaken.

28 december 1949 No. OA’68375
Origineel a/geadresseerde overhandigd
(links schuin met de hand geschreven).

Op uw daartoe gedaan verzoek bevestigen wij hiermede, dat U volgens onze gegevens in 1945 als bewoner van Huize Jalna te Putten verdacht van collaboratie [in procesverbaal staat alleen NSB] bent aangehouden en dat dientengevolge uw vermogen onder beheer gesteld is.

Wij betreuren het zeer, dat U destijds na Uw invrijheidstelling niet over Uw meubilaire goederen heeft kunnen beschikken waarop U recht had, hetgeen echter een gevolg is geweest van de o.i. onjuiste houding van de toenmalige burgemeester van bovengenoemde gemeente, die optrad als hoofd van het Gemeentelijk Bureau Roerende Goederen.

Temeer betreuren wij deze gang van zaken, aangezien sedert dien niet gebleken is, dat enige tegen U gerezen verdenking gegrond was.

De Directie van het NEDERLANDS BEHEERSINSTITUUT
Voor deze:

W. Verploegh Chassé

T.70099/VCh/WS

Deze tekst wordt correct geciteerd in de lange brief van de advocaat van mijn vader Visser&Mr.Bomers.

De historicus geeft op deze brief in 2017 het volgende commentaar:
Het is niet helder over welke verdenkingen Verploegh Chassé het in deze brief precies heeft, de gang van zaken rond de uitgeverij is immers duidelijk, het lidmaatschap van de NSB in Duitsland ook. Waarschijnlijk ging het hier dus om vermoedens van ernstiger collaboratie of landsverraad die inderdaad nergens concreter worden of zelfs niet eens genoemd worden. Er is nergens sprake van een ander dan financieel onderzoek, er wordt nergens een strafrechtelijk onderzoek vermeld, laat staan een proces, beide schijnen niet te hebben plaatsgevonden. In het archief over politieke delinquenten STPD (Stichting Toezicht Politieke Delinquenten toegang 2.09.42.01) komt uw vaders naam dan ook in het geheel niet voor.

1949 – De feiten en een samenvatting van de brief van de advocaat Knoppert

Het vermogen van mijn ouders was veranderd in een schuld, terwijl zij geen strafbare handelingen hadden begaan. Behalve enkele voorwerpen uit onze inboedel hebben wij niets van ons vermogen terug gekregen.
Verbaasd was ik in 2019 bij het lezen van de volgende informatie:
Het totale vijandelijk vermogen heeft de staat circa ƒl. 800 miljoen opgebracht, terwijl nog heden ten dage gelden worden geïnd door de afdeling Privaatrecht en Financiële en Economische Zaken van het ministerie van Justitie (hierbij valt o.a. te denken aan de uitkeringen van lijfrentes).
Bron: Nationaal Archief

Omgerekend naar nu is dat ongeveer 5 miljard euro, op zich al een gigantisch bedrag, maar er komt dus nog steeds geld binnen. Vooral dat laatste is voor mij onverteerbaar en maakt de houding van de staat der Nederlanden onbegrijpelijk. Dit gegeven heeft mij er toe gebracht onze schade nader te bezien en om te rekenen naar bedragen van nu. Uiteraard zijn het grove schattingen, maar het versterkte mijn gevoel van onrecht.
Op basis van koopkracht is ons na de bevrijding een vermogen afgenomen van, omgerekend naar 2018, ruim 3,5 miljoen euro. En Nederland int in 2018 nog steeds gelden. Ik vind dat niet alleen onbehoorlijk, maar vooral zeer beschamend.
Zie de pagina NBI.

En het strookt niet met het door de overheid beleden uitgangspunt:
Getroffenen moesten alles terugkrijgen wat hen wederrechtelijk was ontnomen.
En ook niet met de tekst onder de mail van Justitie:
Voor een veilige en rechtvaardige samenleving.

1955 tot 1957 – De eindafrekeningen van het NBI

Ondanks de ongegronde verdenkingen en het verlies van ons complete vermogen ontvangen mijn ouders in 1955 een eindafrekening van het NBI voor het gevoerde beheer. Ook die factuur werd door mijn vader betaald. Het gaat daarbij om een bedrag van ƒl. 7.500, omgerekend naar nu € 45.000. Toch een redelijk bedrag.

Twee jaar later ontvangen ze opnieuw rekeningen samenhangend met het beheer.

Zijn in 1957 ook deze bedragen betaald ondanks de ongegronde verdenkingen en het verlies van ons complete vermogen? Welk gevoel geeft dit? Is dit rechtvaardig? Wat heeft dit bij mijn ouders teweeg gebracht?
Het getoonde document is door mij bewerkt, omdat er ook andere namen op werden vermeld. Die namen heb ik weggehaald.
Ik vond ook de kop boven de omschrijvingen bijzonder: Vijandelijk vermogen. In 1957 werd dat nog zo genoemd, ondanks de conclusie van het NBI uit 1949?
Al met al heeft deze vreselijke periode ruim tien jaar geduurd. Het bleef maar terugkomen. En ondanks de ontlastende uitspraken van het NBI uit 1949, steeds weer negatief en afwijzend voor ons.

1957 – De scheiding van mijn ouders

Na de scheiding verlieten mijn jongste zuster en ik met mijn moeder het huis waar wij woonden. Enkele maanden later hertrouwde mijn vader. In 1960 verhuisde mijn moeder naar Arnhem en werd ik ingeschreven op een internaat in Bloemendaal. Vandaar bezocht ik het Kennemer Lyceum in Overveen tot mijn eindexamen HBS-B in 1963.

1980 en 1986 – Het overlijden van mijn ouders

Mijn moeder overleed in 1980 (in Nederland), mijn vader in 1986 (in Duitsland).

1992 – Adriaan Venema: ‘Uitgevers en boekhandelaren’

Uitgeverij ‘De Arbeiderspers’ bracht in 1992 deel 4 uit van een serie van 5 onder de titel ‘Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie’ geschreven door Adriaan Venema.
Het is een studie over de collaboratie van de Nederlandse uitgevers en boekhandelaren in de Tweede Wereldoorlog. In deel 4 met de titel ‘Uitgevers en boekhandelaren’ worden meningen als feiten gepresenteerd en opnieuw vele beschuldigingen geuit aan het adres van mijn vader.
Dat het NBI reeds in 1949 tot een geheel andere conclusie kwam, is Venema en zijn uitgever kennelijk ontgaan. Het had zowel de schrijver als de uitgever gesierd als zij voor publicatie de feiten beter hadden onderzocht. Zij noemen het ‘non-fictie’. Het zal duidelijk zijn dat ik dit anders zie. Gelukkig hebben mijn ouders deze publicatie niet meer meegemaakt.
Maar de primaire verantwoordelijkheid voor dit alles ligt bij het NBI. Het NBI had zijn conclusies formeel kenbaar moeten maken. Niet alleen maar een briefje met de tekst: wij betreuren het enz… Ik vind dat een ernstige omissie van het NBI.
In november 2019 is er contact tussen de uitgever en ons over deze gebeurtenissen. Men erkende de fout en bood excuses aan. Wij kunnen daar mee leven.


4 april 2018 – De brief van de burgemeester van Putten (in een apart scherm)


De eerste formele erkenning voor fouten gemaakt in de periode 1945 tot 1955 en voor het grote onrecht dat mijn ouders en ons kinderen is aangedaan kort na de bevrijding. Onrecht met grote consequenties voor ons verdere leven. In mijn ogen is Nederland daarbij ernstig te kort geschoten.

Deze brief werd bijna de afsluiting van mijn zoektocht. Door de brief van de gemeente Putten en het persoonlijke contact dat er op volgde is mijn ballingschap over. Mijn gevoel van onrecht dat ons is aangedaan en mijn boosheid en vooral teleurstelling nog niet.


De afsluiting van mijn zoektocht

Als laatste deel van mijn zoektocht naar de waarheid heb ik mijn verhaal aangeboden aan verschillende organisaties die vanaf 1945 verantwoordelijkheid droegen voor de behandeling van mijn ouders (en ons gezin). De gemeente Putten heeft mij hun afsluitende oordeel geschreven. Nu nog het ministerie van Justitie en Veiligheid en het NIOD. Het NIOD reageerde in algemene termen. Het ministerie van Justitie en Veiligheid eveneens. Opnieuw teleurstellend.

Mijn verzoek aan het ministerie van Justitie en Veiligheid.

1e brief aan justitie

Ruim twee maanden later ontving ik onderstaand antwoord.

Niet echt een antwoord op mijn verzoek om een standpunt. Wat nu?

Voor mij zijn drie vragen relevant:
– Hebben mijn ouders volgens de Nederlandse wetten van die tijd strafbare feiten gepleegd?
– Is ons door het beheer onder verantwoordelijkheid van het Nederlands Beheersinstituut onrecht aangedaan?
– Hoe denkt men nu over de enorme materiële en immateriële schade die ons gezin heeft geleden?

Zie ook bij De gevolgen van Jalna in 2019.

Mijn 2e poging bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Als bijlage aan deze mail (en brief) voegde ik toe: Mijn 2e brief aan justitie

Mijn volgende actie was het vragen van hulp aan de nationale ombudsman.
Daartoe stuurde ik op 29 november 2018 alle gegevens op aan de heer Van Zutphen. Eén dag later ontving ik van de heer Bos een uitnodiging en op 18 december werd de afspraak vastgelegd. Ik wordt verwacht op 31 januari 2019 op het ministerie van JenV. Mijn vragen aan de ombudsman heb ik even in de wacht gezet.

Afspraak met de heer Bos op 31 januari 2019

Op donderdag 31 januari 2019 was ik uitgenodigd in Den Haag, op het ministerie van Justitie en Veiligheid, Turfmarkt 147, helemaal boven op de 36e verdieping. Door het miezerige weer was de grond door de wolken niet te zien, met als gevolg een merkwaardig gevoel.

Naast de heer Bos was aanwezig mevrouw Kroesen, eveneens jurist.
De heer Bos is afdelingshoofd juridische, bestuurlijke en operationele zaken op het ministerie van Justitie en Veiligheid en spreekt namens de Secretaris-Generaal van Justitie.

De tekst van de site hadden beiden afgedrukt voor zich liggen en gelezen hadden zij de inhoud volgens mij grotendeels wel.
Er ontstond een constructief en open gesprek en in een goede sfeer werden de gebeurtenissen van na de bevrijding besproken. Er was begrip voor onze frustraties en boosheid, maar kans op een schadevergoeding werd ons niet gegeven. Daarover had de heer Bos met de bevoegde juristen overleg gepleegd.

De heer Bos vroeg mij naar onze doelstelling.
Ik vertelde hem onze primaire doelstelling: erkenning van het onrecht, dat onze ouders en daardoor ook ons was aangedaan direct na de bevrijding.

Naar eigen zeggen had de heer Bos telefonisch contact gehad met de gemeentesecretaris van Putten over de gebeurtenissen van na de bevrijding. Tevens bood hij aan om ons eveneens een brief te schrijven. Een brief vergelijkbaar met de brief van de burgemeester van Putten. Daarnaast stelde hij ook voor om ons vier kinderen te ontvangen op het ministerie. Als wij daar voor voelden.

Dit voorstel heb ik aan mijn zusters doorgegeven. Het wachten was eerst op de brief van de heer Bos.

De brief van de heer Bos, ontvangen op 21 maart 2019

Na een bloemetje kwam enkele uren later met de post de langverwachte brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uit Den Haag.
Voor een vergroting op het document klikken

   

Mijn eerste reactie is er een van opluchting en blijdschap. Mijn ouders zijn gerehabiliteerd. Er is na ruim 70 jaar eindelijk een formele erkenning van hun onschuld. Mijn zoektocht van ruim 10 jaar heeft de rehabilitatie van mijn ouders opgeleverd. Ik moest dit een tijd op mij laten inwerken.

Maar enkele dagen later viel mij iets anders op aan de brief.
Na een korte algemene inleiding gaat het eerst over geld. Een schadevergoeding wordt expliciet uitgesloten.
Pas daarna komt het deel over het onrecht dat onze ouders is aangedaan. Die volgorde vind ik opvallend en bijna symbolisch.

Dan een inhoudelijke reactie op genoemde uitsluiting van de schadevergoeding:
In ons gesprek heb ik met u besproken dat ik de door uw familie geleden schade niet kan vergoeden. U hebt hier begrip voor.
Dit is onjuist. Ik heb niet aangegeven dat ik begrip heb voor het standpunt van de minister om de schade niet te vergoeden. Ik heb uitsluitend gezegd dat ik niet van plan ben een claim te gaan indienen. Dat hebben mijn ouders in het verleden al tweemaal vergeefs gedaan. Die weg wil ik niet in. Maar dat hangt in belangrijke mate af van de reactie van het ministerie op mijn appèl op hun redelijkheid en billijkheid. Daartoe heb ik begin april 2019 een tweede gesprek met de heer Bos aangevraagd. Wordt vervolgd….

De kilte voorbij

Interessant is deze brief (vooral dit deel van de inleiding)


BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN EN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
‘s-Gravenhage, 21 maart 2000

De regering meent dat lering moet worden getrokken uit de historische analyse die de commissies de regering geschetst hebben. Belangrijk is dat het boek over dit verleden nooit gesloten mag worden, dat regering en samenleving zich daarvan bewust blijven en dat daar ook voor de toekomst conclusies aan verbonden worden. De regering erkent ten volle – terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu – dat er teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest. Daarvoor spreekt de regering oprechte spijt en verontschuldigingen uit naar degenen die toen hebben geleden, zonder overigens verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij degenen die toen verantwoordelijkheid droegen. Desalniettemin dringt zich uit de rapporten geen andere conclusie op dan dat de verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het beleid en de toepassing van wetgeving niet altijd op de juiste manier is genomen. Er zijn fouten en tekortkomingen geconstateerd die onder ogen moeten worden gezien en waar conclusies aan verbonden moeten worden.

De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Financiën,
G. Zalm


Deze uitspraken werden in het jaar 2000 gedaan.
Het is een opdracht van de drie betrokken ministeries om het boek over dit verleden nooit te sluiten, om er ook voor de toekomst conclusies aan te verbinden en om af te stappen van de kilte van het rechtsherstel uit het verleden. En bovendien om coulance te betrachten in dit soort gevallen.

In de recente brief aan mij biedt de minister van Justitie wel zijn excuus aan voor de onterechte verdenkingen tegen mijn ouders en de gevolgen ervan, zoals het verlies van ons vermogen, maar sluit iedere vorm van vergoeding voor de geleden schade expliciet uit. Is de bovenstaande oproep van Minister-President Kok aan de tweede kamer nu al vergeten?

Zie: Het kamerstuk van Kok uit 2000.
Hierin worden voorbeelden aangehaald ter illustratie van de bureaucratische en kille aanpak van de overheid, als het gaat om onrecht dat groepen mensen tijdens en na de oorlog is aangedaan. Met een nadrukkelijke oproep dat deze problemen nooit mogen verjaren.

1 mei 2019 Brief van het Ministerie. Opnieuw een afwijzing door Justitie

De brief van het MJenV aan onze advocaat (20 augustus 2019).

Deze brief wijst een eventuele schadevergoeding af, vooral op grond van het argument verjaring. Dat staat in schril contrast met de oproep van onze minister-president W. Kok in het kamerstuk van de drie ministeries om dit soort zaken niet te laten verjaren en coulance te betrachten.
We zullen het zien.

Gevolgen van mijn zoektocht

Laatste bewerking in november 2019.