Zwijgen

In het kort

Over hun leven rond de 2e WO vertelden mijn ouders nooit. Het oproepen van de herinneringen aan de gebeurtenissen van die tijd deed kennelijk te veel pijn. Omdat ik er vrijwel niets van wist kostte het mij ruim acht jaar om de belangrijkste gebeurtenissen te achterhalen en dit boek te schrijven.
Vele onderduikers hadden bij ons in Putten tussen oktober 1944 en de bevrijding veiligheid gevonden. Toch beschuldigde men mijn ouders na de bevrijding van collaboratie en propaganda voor de nazi’s. Mijn vader werd onder bedreiging met een geweer naar het politiekantoor gebracht en later voor zeven maanden geïnterneerd in Harderwijk. In Augustus 1945 nam het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) deze verdenkingen over en trof niets ontziende maatregelen tegen ons.
De verdenkingen vormden de juridische grondslag van alle maatregelen.
Vier jaar later, ons vermogen was intussen veranderd in een grote schuld, verklaarde het NBI alle verdenkingen ongegrond. Hoewel daarmee de grondslag verviel gingen de maatregelen gewoon door, waarmee men ons dwong Nederland de rug toe te keren, berooid, ontredderd en getraumatiseerd.
In 2019, na een persoonlijk gesprek op het Ministerie van Justitie en Veiligheid, stuurde het Ministerie excuses en een bloemetje voor dit onrecht, maar sloot rechtsherstel uit. Gezien het sentiment in 1945 begrijp ik dat het NBI ons vermogen tot “vijandelijk en landverraderlijk vermogen” verklaarde en in beslag nam. Dat dit met de vervallen grondslag niet veranderde, is voor mij moeilijk te begrijpen. Justitie weigerde toen en nu iedere vorm van rechtsherstel. Is dit het lieve en gave Nederland?

Het uitgebreidere verhaal

Henk en vele andere onderduikers hadden bij ons tussen oktober 1944 en de bevrijding veiligheid gevonden. Toch beschuldigde Henk mijn ouders na de bevrijding van collaboratie en propaganda voor de nazi’s. Henk bracht mijn vader onder bedreiging met een geweer naar het politiekantoor van Putten. Daar werd mijn vader opgesloten en later voor zeven maanden overgeplaatst naar het interneringskamp in Harderwijk. De onbewezen verdenkingen werden in augustus 1945 overgenomen door het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) en vormen de juridische grondslag voor de maatregelen tegen mijn ouders, mijn zusters en mij. Maatregelen bestaande uit internering van ons complete gezin, onder beheerstelling gevolgd door inbeslagname van onze eigendommen en een verbod op het voortzetten van een uitgeverij door mijn vader.

Vier jaar later, ons vermogen was intussen veranderd in een grote schuld, verklaarde het NBI alle verdenkingen ongegrond. Met deze verklaring verviel dus de grondslag voor alle maatregelen van het NBI. Toch gingen de maatregelen door en het niet opgeheven beroepsverbod dwong ons Nederland te verlaten, getraumatiseerd, ontredderd en berooid.

Mijn jeugd buiten Nederland

Van mijn vijfde tot mijn achttiende leefde ik in grote armoede in het buitenland, met mijn ouders en drie zusters. De cruciale jaren in de ontwikkeling van kind naar jongvolwassene. Ik werd gevormd door andere talen, wisselende scholen en dito klasgenoten en andere culturen. Niet uit vrije wil, maar omdat Nederland ons had buitengesloten. De verdenkingen werden in 1949 ongegrond waren verklaard, maar de rampzalige maatregelen van het Nederlands Beheersinstituut eindigden niet. Volledig ‘ontrecht’ en zonder enig rechtsherstel verlieten wij Nederland. Berooid en ontredderd. De onverwerkte trauma’s zorgden voor de scheiding van mijn ouders en lieten ons gezin uit elkaar vallen.

Door onze gedwongen emigratie heb ik geen Nederlandse achtergrond, geen Nederlandse jeugdvrienden en geen Nederlandse herinneringen uit die tijd en voel mij soms vreemdeling in eigen land, omdat ik vaak anders voel en denk. Dit ondanks mijn eindexamen in Nederland, mijn dienstplicht bij de Cavalerie met de eindrang van reserve 1e luitenant van de Huzaren van Boreel en mijn beroep van huisarts dat ik gedurende 34 met grote toewijding heb uitgeoefend. Een klein voordeel kan niet onbenoemd blijven, ik ben bijna ‘native speaker’ in de Duitse taal.

Mijn ouders stopten hun trauma’s diep weg en vertelden er uit pijn en frustratie nooit over. Vragen deden wij naar dat verleden eigenlijk ook liever niet, een onbewuste reactie. De scheiding van mijn ouders in 1957 versterkte de negatieve gevoelens en het zwijgen.

In mijn jeugd stond ik nooit stil bij ons verleden en zag ik al die buitenlanden eigenlijk als normaal, maar begin 2008, na mijn pensionering als huisarts en vele decennia na het overlijden van onze ouders, drongen zich vragen aan mij op. Vragen die mij niet meer los lieten en mij deden besluiten het te gaan uitzoeken. Een zoektocht naar de waarheid en het juiste verhaal. In het Nationaal Archief ontrafelde ik mijn familiegeschiedenis, maar blij werd ik er niet van. Waarbij blij niet de juiste woord is, boos, teleurgesteld en gefrustreerd geeft beter mijn gevoelens weer. Boos op Nederland, dat in 2019 uiteindelijk wel verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor het ons aangedane onrecht en er excuses voor had aangeboden, maar aansprakelijkheid expliciet had uitgesloten. Voor ons opnieuw een afwijzing. En nog steeds geen rechtsherstel.

Onze achtergronden

Mijn ouders hadden in 1932 het besluit genomen om naar Berlijn te verhuizen. Mijn vader wilde uitgever worden en Berlijn was toen het literaire centrum van de wereld. Niet vermoedend dat Hitler begin 1933 aan de macht zou komen.
Na aanvankelijke rust werd Berlijn in de loop van de tweede wereldoorlog steeds vaker het doelwit van bombardementen. Voor mijn ouders was dit de voornaamste reden om met ons drie kinderen naar Den Haag terug te keren. Begin 1944 vertrokken wij vanuit Den Haag naar Putten in de hoop om daar in redelijke rust en veiligheid de oorlog door te komen. Boeken werden er vrijwel niet meer verkocht en mijn ouders vonden in Putten een alternatief voor de uitgeverij in de vorm van een stoeterij, een fokkerij voor volbloed renpaarden. Zij noemden de stoeterij De Viking.

Wij hadden met alle buren goede relaties, maar eind 1944, na de beruchte aanslag en razzia van Putten, met ruim honderd in brand gestoken huizen en zeshonderdvijftig gedeporteerde mannen, kwamen spanningen op. De trauma’s van de inwoners van Putten waren groot en de pijn zat diep. Deze achtergronden verklaren een deel van de problemen die zich voor ons in het naoorlogse Putten hebben voorgedaan. Problemen met ernstige consequenties voor mijn ouders en voor ons, hun kinderen.

Hoewel ons grote huis in 1944 vol zat met onderduikers kwamen wij na de bevrijding in grote problemen. Onze jaren in Berlijn en onze welvaart maakten ons verdacht.


De gebeurtenissen
Op 18 april 1945 werd Putten bevrijd door de Canadezen. Twee dagen later werd mijn vader door één van onze onderduikers onder bedreiging met een vuurwapen opgebracht naar het politiebureau van Putten en daar opgesloten. De voornaam van de onderduiker was Henk, de achternaam is mij niet bekend. Hij beschuldigde mijn ouders van:

  1. Collaboratie met de Duitse bezetter.
  2. Het uitgeven van Nazi-propaganda in de uitgeverijen van mijn vader, in Berlijn en Den Haag.

Een bewijs voor deze beschuldigingen had de onderduiker niet en er is geen proces verbaal van deze verdenking en aanhouding.

Maatregelen Nederlands Beheersinstituut
Die verdachtmakingen waren voldoende om het Nederlands Beheersinstituut (NBI) in actie te laten komen, gesteund door de toenmalige burgemeester van Putten. Zonder verhoor, proces of veroordeling, uitsluitend op grond van verdenkingen, nam het NBI medio 1945 ingrijpende maatregelen.

  1. Internering van ons complete gezin bestaande uit mijn ouders, mijn zusters van tien en negen en mij, twee jaar oud. In het kamp Harderwijk. Deze internering duurde voor mijn moeder zes maanden, voor mijn vader zeven maanden en voor ons kinderen enkele weken.
  2. Onze eigendommen werden onder beheer gesteld van drie verschillende, met elkaar ruziënde beheerders. Dit beheer eindigde in een enorme schuld.
  3. Een beroepsverbod voor mijn vader van 5 jaar (voor het besturen van een uitgeverij). Dit beroepsverbod werd nooit opgeheven en dwong ons in 1950 tot emigratie.
  4. Het inhouden van onze paspoorten.
  5. Het ontnemen van het kiesrecht voor mijn ouders voor een termijn van 10 jaar.

Voor mij is dit een soort van ‘gesanctioneerde eigenrichting, een voor eigen rechter spelen’.
Verdachtmakingen van gewone burgers brengen een instantie ertoe om buiten de rechter om maatregelen tegen de verdachten te nemen.

De rechtsfilosoof Veraart kijkt behalve naar de juridische kant ook naar de menselijke maat. Hij noemt dit ‘Ontrechting’ en omschrijft het als volgt:
‘Ontrechting’ is een proces dat – anders dan diefstal en roof – erop is gericht om specifieke categorieën mensen uit de rechtsorde te verwijderen door hen systematisch aan te tasten in hun capaciteiten om als rechtssubject aan het rechtsverkeer deel te nemen.

‘Ontrechting’
Alle rechten werden ons ontnomen of om het in de woorden van de heer Veraart te zeggen: wij werden ontrecht. Wij hadden geen rechten meer, geen vrijheid meer, geen bescherming meer, geen eigendommen meer en lange tijd ook geen toekomst meer. Wij hebben daarbij achteraf gezien onvoorstelbaar veel geluk gehad. Het had direct veel slechter met ons kunnen aflopen. De stemming was toen zeer explosief.

Eerste verhoor en invrijheidstelling
Begin 1946, na hun ontslag uit maandenlange internering, werden mijn ouders in Den Haag voor het eerst verhoord.
Er bleek geen formele aanklacht, akte of verdenking te bestaan. Zij werden direct in vrijheid gesteld. Desondanks bleef Putten verboden terrein voor mijn ouders, inclusief ons huis en onze eigendommen. Mijn vader is er nooit meer geweest, mijn moeder slechts één keer om enkele persoonlijke dingen op te halen samen met mijn oudste zuster van toen bijna 11 jaar oud, die aan dit bezoek hele nare herinneringen heeft overgehouden.

Vlucht uit Nederland
Tijdens ons verblijf in Den Haag kwamen uit Putten zeer ernstige anonieme verdachtmakingen aan het adres van mijn vader, zelfs de naam Blokzijl viel. Na de interneringen maakten deze beschuldigingen mijn ouders erg onzeker. Zij durfden niet in Nederland te blijven en overwogen emigratie naar Brazilië. Het werd Frankrijk, waar wij gedurende drie jaar onderdoken, illegaal en in grote armoede. Mijn jongste zuster werd er geboren.
Aanvankelijk waren de beschuldigingen afkomstig van genoemde onderduiker, later ontving Justitie anonieme brieven met voor ons zeer bedreigende beschuldigingen. Ik heb kunnen achterhalen dat de schrijvers enkele tijdelijke bewoners van Jalna zijn geweest, ons huis in Putten. Na de brand en vernietiging van vele huizen had de gemeente Putten deze voor ons onbekende mensen in ons huis geplaatst en ondersteunde als gemeente actief de verdachtmakingen. Vijf personen maakten vele jaren gebruik van ons huis en onze eigendommen zonder enige huur te betalen. Eén bewoner bleek zijn familie te hebben verloren in Auschwitz. Zijn boosheid en verdriet begrijp ik, zijn agressie naar ons toe niet en contact is er nooit geweest.
Pas toen het NBI eind 1949 concludeerde dat alle verdenkingen ongegrond waren geweest durfden wij uit Frankrijk naar Nederland terug te komen. Maar nog steeds niet naar Putten en onze eigendommen.

Onwettige acties beheerders (taxaties en verkopen)
De door het NBI aangestelde beheerders lieten onze eigendommen taxeren en deels verkopen. Zij kochten, ondanks een uitdrukkelijk verbod daartoe, voor zichzelf voorwerpen uit onze inboedel, tegen spotprijzen. Het beheer over onze eigendommen werd in juni 1949 opgeheven. Desondanks werden vier maanden later nog eigendommen en paarden van ons verkocht. Vele documenten in het Nationaal Archief tonen dit aan. Het NBI waarschuwde de beheerders en documenteerde deze onwettige handelingen, maar greep niet in.
Het saldo van alle kosten voor onderhoud, beheer, verkopen en liquidaties resulteerde in een grote schuld (van omgerekend naar nu rond 3,6 miljoen euro naar een schuld van ruim 750 duizend euro).
De oorzaken waren:

  1. Extreem lage taxaties (een platinahorloge werd geschat op fl. 25,00 en een massief zilveren schaal van twee kilogram op fl. 40,00).
  2. Onwettige verkopen door de beheerders van door hen getaxeerde voorwerpen.
  3. Liquidaties van de beide uitgeverijen.
  4. Verkoop met verlies van de stoeterij van zeer waardevolle volbloed racepaarden.
  5. Weigering om huur te betalen gedurende vier jaar en de hypotheekkosten te voldoen waardoor gedwongen executie van ons huis.
  6. Overtrokken beheerskosten .

In 1955 ontvingen wij een afsluitende rekening voor het gevoerde beheer van het NBI, omgerekend naar nu 45 duizend euro (bronnen NBI en Nationaal Archief). Let wel, de verdenkingen werden al in 1949 ongegrond verklaard. Zes jaar na het ongegrond verklaren mochten we opnieuw een fors bedrag betalen.

Verdwenen eigendommen
Uit onze inboedel waren veel economisch en emotioneel waardevolle voorwerpen verdwenen. De meeste hiervan werden nooit teruggevonden. Ik noem onze fotoalbums (inclusief bijbehorende fototoestellen en negatieven), juwelen uit de familie, vele waardevolle historische boeken (mijn vader was uitgever) en familiezilver met daarop de monogrammen van de familie van mijn vader. Van alles bestaan zeer gedetailleerde overzichten.

Onderduikers. Bewijsbaar twaalf, vermoedelijk achtentwintig
Onze vroedvrouw, verpleegster en vriendin ‘Suta’ (zo werd de zuster door mij als kind genoemd) vertelde ooit over een aantal van 28. Volgens haar waren achtentwintig mensen op verschillende momenten bij ons in huis ondergedoken geweest. Eén van die onderduikers (de heer Van den Born) heeft de moeite genomen om na de bevrijding een verklaring af te leggen bij de Politieke Opsporings-Dienst (POD). Het bijzondere van deze verklaring is naast de inhoud, ook het moment ervan.
In het proces-verbaal beschrijft de heer Van den Born, hoe hij bij ons aanklopte en onderdak had gekregen. Hij verbleef twee weken bij ons tot het voor hem weer veilig was om te vertrekken. Bijzonder is dat de heer Van den Born deze moeite deed één dag voor de begrafenis van de grootmoeder van zijn vrouw. Je zou zeggen dan heb je wel iets anders aan je hoofd. Maar dat maakt het extra bijzonder dat hij deze verklaring heeft afgelegd in november 1945.
Hij kreeg bij ons onderdak in november 1944 korte tijd na de beruchte razzia van Putten van 1 en 2 oktober 1944. Mijn moeder schrijft hierover in haar brief van 18 november 1944 aan Heddy de Geer, de vrouw van Pyke Koch. De heer Van den Born trof bij ons (naast ons gezin) nog een gezin aan van vijf personen en twee jongens uit Rotterdam. Deze personen worden genoemd in het proces-verbaal. Namen van het gezin en de twee jongens heb ik helaas niet.
Tijdens de genoemde razzia, was ook de net bevallen vrouw van de Puttense huisarts dokter Lenstra en haar zojuist geboren dochter bij ons in huis. Tenslotte kan niet onbenoemd blijven de voor mij onbekende onderduiker die mijn ouders direct na de bevrijding ongegrond had beticht van collaboratie. Zijn voornaam was Henk, meer weet mijn oudste zuster zich niet te herinneren. Al deze mensen optellend kom ik op 12 personen die in ons huis bewijsbaar veiligheid hadden gevonden. Twaalf onderduikers waarvan ik het zeker weet, maar volgens Suta waren het er dus 28.
Zie: Tijdlijn met documenten

Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR)
Na de Tweede Wereldoorlog ondergingen ruim 300.000 Nederlanders de zogeheten ‘bijzondere rechtspleging’. Deze mensen werden verdacht van verraad, samenwerking met de Duitse bezetter, NSB-lidmaatschap of het in dienst treden bij het Duitse leger. Ieder van deze Nederlanders heeft een dossier in het CABR, ook mijn ouders. Het betreft zowel mensen die op grond van strafbare feiten zijn veroordeeld, als mensen van wie na een aantal jaren bleek dat de verdenking ongegrond was. Dat laatste is mijn ouders overkomen. Toen het NBI vier jaar later constateerde dat de verdenkingen ongegrond waren geweest bleek het complete vermogen van mijn ouders te zijn verdwenen en veranderd in een schuld. Teruggekregen hebben wij nooit iets en de verdenkingen bleven sluimerend bestaan. Tot 2019.

Alle verdenkingen ongegrond
In 1949 verklaarde het NBI beide verdenkingen tegen mijn ouders ongegrond.
Er was geen collaboratie geweest en mijn vader had geen boeken uitgegeven met NS-propaganda. Het NBI betreurde de maatregelen en hun gevolgen, maar een echt bewijs van onze onschuld kregen wij niet en ons vermogen waren wij kwijt. Het totale verlies voor ons gezin bedroeg ruim 500 duizend gulden (volgens de normen van het CBS omgerekend naar koopkracht van nu ruim drie miljoen euro). Zie: Het NBI en ons vermogen
Na de beide brieven van het NBI van 1949 durfden mijn ouders vanuit Frankrijk als gezin terug te keren naar Nederland, maar ons huis in Putten bleef voor ons verboden terrein. Wij werden door tijdelijke bewoners van ons huis bedreigd.

Twee juridische procedures tegen het NBI
Tot twee keer toe hebben mijn ouders geprobeerd het tij juridisch te keren. Het is ze niet gelukt. Met het aanhoudende negatieve sentiment en de enorme schuld (omgerekend naar 2022 meer dan € 750.000) was er geen financiële ruimte voor verdere juridische acties. Ons vermogen werd door het NBI gezien als ‘vijandelijk vermogen’ en daarmee gewoon verbeurd verklaard. Door wetten aangenomen rond 1950 werden deze maatregelen ‘gelegaliseerd’. De rechtbank beriep zich op deze wetten in 2019 opnieuw.

De verdenkingen na 1949
In de jaren die volgden bleven gevoelsmatig de verdenkingen bestaan, zelfs binnen onze familie. Het anti-Duitse sentiment was sterk en wij hadden in Duitsland gewoond, dat was voldoende voor een morele afkeuring, nooit werd er gevraagd naar strafbare feiten (die er niet waren). En het feit dat wij in 1950 terugkeerden naar Duitsland werd opnieuw als bewijs gezien voor ons ‘fout’ zijn. De echte oorzaak voor onze emigratie, het blijvende beroepsverbod, werd daarbij door niemand genoemd.

Herstart uitgeverij in Duitsland
Ondanks de ontlastende uitspraak van het NBI in 1949, mocht mijn vader de uitgeverij in 1950 niet herstarten, waardoor wij Nederland een tweede keer berooid moesten verlaten. Dat het beroepsverbod niet werd ingetrokken toont de onmacht van het NBI en de stemming in Nederland van dat moment. Na een herstart van de uitgeverij in Darmstadt volgde drie jaar later verhuizing naar Baden-Baden. Mijn vader liet zich in 1957 scheiden en bleef in Duitsland. Rond 1960 zijn wij, zijn kinderen, naar Nederland teruggekeerd. Een echt vrij gevoel hadden wij daarbij nooit.

Mijn jeugd heb ik dus buiten Nederland moeten doorbrengen. Niet uit vrije keus, maar omdat Nederland ons had buitengesloten. Ik heb dus geen vrienden kunnen maken voor het leven, want wij zijn in die jaren ook nog 5x verhuisd en tot overmaat van ramp heeft het huwelijk van onze ouders deze ellende niet doorstaan. De scheiding volgde in 1957, ik was net 16 jaar. Mijn zusters hebben eveneens hele negatieve gevoelens over de periode buiten Nederland. Tijdens onze levens zijn die gevoelens nooit verdwenen.

Verdenkingen in 1992
De journalist Adriaan Venema (1941-1993) schreef rond 1992 een serie van vijf boeken met de titel ‘Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie’. In deel 4 beschuldigde hij mijn vader wederom uitgebreid van collaboratie en NS-propaganda, let wel, ruim 40 jaar na de ongegrond verklaarde verdenkingen. De beide conclusies van het NBI uit 1949 noemde hij niet. Mijn ouders hebben de publicatie in 1992 gelukkig niet meer meegemaakt, zij waren toen al overleden. Op 14 november 2018 schreef ik een eerste mail aan de uitgever (de Arbeiderspers) met de door mij gevonden informatie en het verzoek om een reactie. Na een reminder ontving ik in november 2019 excuses voor de onzorgvuldigheid. Er is overleg met de KB voor commentaar op de daar aanwezige boeken uit die serie. Daar kunnen wij mee leven.
Zie: Tijdlijn met documenten

Verdenkingen in 2007
In de aanloop naar mijn zoektocht verzocht ik de gemeente Putten in 2007 om informatie over mijn ouders. Bij de informatie die men mij stuurde zat een korte aantekening dat ik wel niet blij zou zijn met de gevonden informatie, omdat mijn vader in de oorlog ‘behoorlijk fout’ zou zijn geweest. Zo werd er in en na de oorlog naar ons gekeken. Een hard bewijs had men niet.
Zowel het boek uit 1992 als de mail van de gemeente Putten uit 2007 tonen aan dat de verdenkingen bleven bestaan. De ‘ongegronde verdenkingen’.
Naar aanleiding van mijn boek heeft de gemeente Putten in 2018 mijn ouders gerehabiliteerd. In goed overleg tussen de gemeente en ons kinderen zijn de verdenkingen besproken en weggenomen. Putten heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, de kou is uit de lucht.
Begin 2019 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid schriftelijk bevestigd dat mijn ouders onrecht is aangedaan en excuseert zich ervoor. Voor ons kinderen een enorme opluchting.
Toch doet de brief van de minister tegelijkertijd ook pijn, want rechtsherstel wordt expliciet uitgesloten. Zonder enig argument. In mijn gevoel is dat niet redelijk en billijk, zelfs onrechtmatig. Zoals mijn vriend het uitdrukte: ‘Je wilt gewoon je fiets terug’. Wij vragen geen vergoeding voor immateriële schade, wij vragen uitsluitend vergoeding voor het verlies van onze eigendommen.

Het overheidsbeleid (bron: NIOD)
De getroffenen moesten alles terugkrijgen wat hen wederrechtelijk was ontnomen.
Ons is wederrechtelijk veel ontnomen, teruggekregen hebben wij niets.
Verder zegt de overheid ook nog:
De Commissies probeerden in overleg met het NBI en de klagers de klachten op te lossen. Lukte dit niet, dan werd de klacht ter beoordeling voorgelegd aan de minister van Justitie.
Mijn ouders lukte het niet de klachten op te lossen en er bestond tot 2019 geen formele reactie van de minister. Verschillende advocaten deden vergeefse pogingen het tij te keren. Mijn ouders hebben de strijd berooid en gedesillusioneerd op moeten geven. Hun enorme schulden (bevestigd door het NBI) maakten een verdere juridische strijd onmogelijk.

Mooie woorden dus, maar de werkelijkheid is teleurstellend voor de getroffenen. In ieder geval voor ons. Beschamend.

Mijn conclusie
Dat er direct na de bevrijding fouten zijn gemaakt verbaasd ons niet en zal niemand verbazen. Het was een chaotische tijd en het NBI als organisatie moest in hele korte tijd uit de grond worden gestampt om rond de 300.000 gevallen te gaan verwerken. Gezien de omstandigheden en aantallen is het te voorzien dat er dingen mis gaan. Dat is niet anders en daar kan ik goed mee leven, maar dat er zelfs in 1955 nog rekeningen werden gestuurd over beheer dat nooit had mogen plaatsvinden en dat die fouten later niet zijn hersteld vind ik Nederland onwaardig. Ik vind dat de Nederlandse Staat, als eindverantwoordelijke instantie, ons gezin na 1949 in de steek heeft gelaten en dat anno 2019 nog steeds doet. Voor mij is dat onbegrijpelijk. Het ondermijnt mijn vertrouwen in mijn overheid en het strookt niet met de uitgangspunten van een (door de overheid zelf geformuleerd) beleid, gebaseerd op redelijkheid en billijkheid. Voor mij voelt dat als onrechtmatig. En het doet pijn.

Na de bevrijding was het in Nederland mogelijk dat mensen een verdenking uitten waarop zonder een juridische beoordeling zeer ingrijpende maatregelen werden genomen. En na gebleken onschuld werden de gevolgen van deze maatregelen niet hersteld. In 1950 werd daartoe een wet aangenomen die de verantwoordelijkheid voor de gevolgen legde bij de bezetter en de chaos van de bezetting. Het NBI kreeg immuniteit (wet aansprakelijkheid bezettingshandelingen). Ten koste van soms onschuldige mensen, maar met enorme winsten voor de overheid.

‘Jalna’, mijn familiegeschiedenis ontrafeld

Op mijn familiegeschiedenis wordt zeer uiteenlopend gereageerd. De meeste mensen volgen de eindconclusies van juristen, zijn in details geïnteresseerd en vragen naar onze gevoelens.
Maar het kan ook anders en daarbij fascineert het mij dat er zelfs in 2021 nog mensen zijn die mijn ouders veroordelen. Op grond van dezelfde verdenkingen die ons na de bevrijding in grote problemen hebben gebracht en waarvan intussen vast is komen te staan dat het ongegronde verdenkingen waren. Deze mensen zijn ook niet bereid om een inhoudelijk gesprek over die periode en omstandigheden te voeren. Hun standpunt is onwrikbaar. Boeiend.

De drie instanties die het ons aangedane onrecht schriftelijk erkennen en zich formeel excuseren zijn:
1. het Nederlands Beheersinstituut (NBI) in 1949 (geen echt excuus, maar men constateerde dat de verdenkingen ongegrond waren geweest en men betreurde wat ons was overkomen)
2. de gemeente Putten in 2018
3. de Minister van Justitie en Veiligheid in 2019 (hij aanvaart zelfs verantwoordelijkheid voor het onrecht)
Dat ons ernstig onrecht is aangedaan lijkt mij daarmee voldoende vastgesteld.
Ik kan de soms aanhoudende verdenkingen alleen verklaren door de sterke verwevenheid van de verdenkingen met de eigen trauma’s van mensen in de oorlog. Helaas wordt hierover niet gesproken. Als je familieleden in Auschwitz hebt verloren kijk je uiteraard anders naar omstandigheden in die tijd. Dat begrijp ik, maar maak het bespreekbaar.

Mijn ouders
Tussen 1930 en 1950 werden veel mensen voor grote dilemma’s geplaatst. Vaak werden zij gedwongen om te kiezen tussen twee kwaden. Ook mijn ouders overkwam dat en achteraf bleken niet al hun keuzes even gelukkig. Door Nederlandse tijdgenoten, maar ook door latere generaties werd er vaak met onbegrip en afkeuring naar gekeken. Men verplaatste zich nauwelijks in de achtergronden van hun keuzes en trok al snel de conclusie, dat was fout. Men dacht vooral in uitersten, goed of fout, zwart of wit, zelden in grijstinten. Na de bevrijding leverde dat voor vele mensen grote problemen op, ook voor mijn ouders en daarmee voor ons kinderen. Met ernstige consequenties voor ons verdere leven. In zowel materiële als immateriële zin. Let wel zonder strafbare feiten te hebben gepleegd.

Het huwelijk van mijn ouders bleek niet bestand tegen alle problemen die zij te verwerken kregen. In 1957 kwam het tot een scheiding. Mijn beide oudere zusters maakten de scheiding op afstand mee, zij waren al heel jong uit huis. Mijn jongste zuster en ik waren tien en veertien jaar oud en wij beleefden de scheiding daadwerkelijk. Zo moesten wij met onze moeder uit ons huis vertrekken, waarna ik mijn vader nog maar incidenteel zag.

Uit zichzelf vertelden mijn ouders vrijwel nooit over hun verleden en ernaar vragen deden we liever niet. Mede daardoor was ik met ons verleden in mijn jeugd niet bezig en later, tijdens mijn HBS-B schooltijd en eindexamen, militaire diensttijd, studie geneeskunde en werkzame gezinsleven, had ik er onvoldoende tijd en aandacht voor. Mijn kennis over ons verleden vertoonde dus grote hiaten. Pas toen ik begin 2008 stopte met werken drongen die hiaten zich aan mij op en zocht ik naar antwoorden op de vragen. Hierdoor ontstond er bij mij de behoefte om te achterhalen hoe het echt geweest was.
Mijn ouders waren al in 1980 en 1986 overleden en mijn jongste zuster werd pas na de oorlog geboren. Van hen was dus geen informatie te verkrijgen.
Alleen mijn beide oudere zusters (geboren in 1935 en 1936) hadden de meest cruciale jaren (1944 en 1945) bewust beleefd en wisten zich dingen te herinneren.
Mijn tweede zuster wilde niet aan ons verleden herinnerd worden en sprak er liever niet over. Het deed haar te veel pijn en mijn openheid zorgde voor onzekerheid.
Alleen mijn oudste zusters kon mij van informatie voorzien, maar als direct betrokkene was zij in mijn ogen niet voldoende objectief. Daardoor kon ik feiten en fictie niet van elkaar scheiden.
Voor het juiste verhaal had ik bewijzen nodig, met harde feiten uit betrouwbare bronnen, liefst documenten.

Er bleef mij maar één mogelijkheid over, zelf op zoek gaan. In archieven, met als belangrijkste, het Nationaal Archief in Den Haag. De hulp die je daarbij door de archiefmedewerkers wordt geboden is bewonderenswaardig. Het werd een zoektocht van ruim tien jaar. De gevonden feiten vormden de ‘kapstok’ van mijn verhaal. Een kapstok bestaande uit een volle ordner met kopieën van een grote hoeveelheid ongeordende documenten, zo veel mogelijk in chronologische volgorde. In 2007 had ik deze documenten fotografisch vast kunnen leggen. Enkele jaren later werd dat verboden. Gelukkig was ik toen al in het bezit van de belangrijkste documenten in digitale vorm en kon ik ermee aan de slag. Ik ging lezen, interpreteren, ordenen en tenslotte schrijven.

Mijn zoektocht resulteerde niet in een roman, maar in het verslag van de lotgevallen van ons gezin, bestaande uit mijn ouders, mijn drie zusters en mij, aangevuld met wat het met mijn leven heeft gedaan en hoe ik nu in het leven sta. Daarbij waren mijn zusters aanvankelijk tegen mijn plan om er een boek van te maken. Pas geleidelijk aan kreeg ik mijn zusters daarin mee. Daarbij zou ik er het liefst een gemeenschappelijk verhaal van hebben gemaakt, maar dat bleek een stap te ver. Het moest mijn verhaal blijven, mijn zusters wilden er niet persoonlijk bij betrokken worden.

Het werd voor mij het ‘juiste verhaal’, in de zin van het bewijsbaar correcte verhaal. Maar wel mijn verhaal en dus mijn waarheid.

Vroeger begreep ik het zwijgen binnen ons gezin niet, nu, nadat ik er zo intensief mee bezig ben geweest en veel over die periode heb gelezen, begrijp ik het wel. Denken aan en praten over het verleden veroorzaakte bij mijn ouders, maar ook bij mijn zusters te veel pijn, nu nog. Maar omdat ik anders in elkaar zit wilde ik de waarheid hoe dan ook weten. Hoe zat het nou echt? Hetgeen niet betekent dat ik daarbij niet ook die emoties doormaakte en ook die pijn voelde. Maar uiteindelijk geeft het mij grote voldoening deze zoektocht te hebben volbracht.

De foto links werd eind 2007 gemaakt in het gezondheidscentrum waar ik huisarts was. Ik was net 65 geworden en zou korte tijd later stoppen.
De foto rechts toont de kaft van mijn boek, met een in Frankrijk gemaakte foto van eind 1948 of begin 1949 van mijn drie zusters en mij. Ik draag de alpinopet. Rechts mijn oudste zuster, achteraan mijn tweede zuster en vooraan mijn in Frankrijk geboren jongste zuster.

Mijn belangrijkste doelstelling was het vastleggen van het juiste verhaal voor mijn familie. Daarom maakte ik er een duurzaam boek van, met een harde kaft en gedrukt op hoogwaardig papier om de vele foto’s en documenten goed te laten uitkomen. Het werd een persoonlijk bewaarboek en gedrukt in een oplage van honderd exemplaren. Voor mij werd het een kostbaar project, in zowel tijd, geld als emoties.

Voor een vergroting klik op een foto.

Binnen twee maanden waren alle honderd exemplaren van Jalna verkocht.
Daarmee had ik mijn hoofddoelen bereikt:
Mijn verhaal was voor iedereen te lezen. De gebeurtenissen waren geen geheim meer en met de publicatie eindigden mijn ballingschap en mijn passiviteit.

Om die reden had ik ook geen plannen voor een tweede druk, ik vond het wel goed zo. Maar op mijn verhaal ontving ik zo veel reacties en nieuwe informatie, dat ik die eveneens in het verhaal wilde opnemen. Dat maakte volgende drukken noodzakelijk. En door de techniek van POD (printing on demand) is het relatief eenvoudig om wijzigingen aan te brengen voorafgaande aan een nieuwe druk in kleine oplage.

De 4e druk verscheen in november 2018 en de 5e druk in augustus 2021.

De 5e druk is inhoudelijk aan de nieuwste gebeurtenissen aangepast en uiterlijk gemoderniseerd. De kaft heeft twee flappen gekregen met een korte uitleg. Die flappen geven het boek niet alleen een meer luxe uitstraling, maar zijn tevens erg handig als bladlegger.

De 6e druk zal het arrest van het gerechtshof in Den Haag bevatten. Dus de behandeling van onze zaak in tweede aanleg, na het vonnis van de rechtbank in 2019 dat negatief voor ons uitpakte. Op 23 juni 2022 behandelde het hof onze zaak, de maanden erna zullen zij hun oordeel geven. Dat zal ik in de 6e druk opnemen. En uiteraard ook op deze site bespreken. Helaas drukt Pumbo geen boeken meer met de hierboven genoemde flappen.

Voor meer informatie over de vervolgstappen klik hier


Muziek gecomponeerd door Randy Edelman voor de film Six Days and Seven Nights uit 1998. Anne Heche, de tegenspeelster van Harrison Ford, is in 2022 helaas bij een auto-ongeluk om het leven gekomen.

Laatste wijzigingen september 2022.