2019

De gevolgen van Jalna

Na de positieve reactie door de burgemeester van Putten was ik benieuwd hoe het Ministerie van Justitie en Veiligheid (MJenV) over de uitkomsten van mijn zoektocht zou denken. Daarom verzocht ik medio 2018 de Secretaris Generaal van het MJenV, de heer S. Riedstra, om een gesprek. Als reactie op mijn verzoek werd ik enkele maanden later uitgenodigd door de heer Bos, hoofd afdeling juridische, bestuurlijke en operationele zaken van het MJenV. Het gesprek vond plaats op 31 januari 2019 op het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Den Haag. Het was een open en plezierig gesprek en het resulteerde in de onderstaande brief.

De brief namens de Minister van Justitie en Veiligheid
Voor een vergroting klik op de brief.

Namens de Minister biedt de heer Bos onze ouders en ons formeel excuses aan voor de ongegronde verdenkingen direct na de bevrijding onder verantwoordelijkheid van het Nederlands Beheersinstituut. Uiteraard zijn mijn zusters en ik bijzonder verheugd over de brief en de excuses. Toen ik Jalna schreef had ik een officiële brief met deze inhoud niet voor mogelijk gehouden.

Bij deze brief zijn enkele kanttekeningen te plaatsen.

Als eerste trof mij de opbouw van de brief.
Na een vriendelijk en algemeen begin wordt als eerste iedere schadevergoeding expliciet uitgesloten. Pas na deze uitsluiting neemt het MJenV verantwoordelijkheid voor het onrecht dat ons in de jaren 1945 tot 1950 is aangedaan door zich te excuseren voor de ongegronde verdenkingen en de gevolgen daarvan. De brief eindigt tenslotte weer vriendelijk.
Deze opbouw suggereert dat de kosten prioriteit hebben boven het recht. Deze prioriteit geeft mij geen goed gevoel.

Dan een opmerking over de inhoud van de brief.
Ik begin bij de derde alinea, de alinea met de eerder genoemde uitsluiting van iedere schadevergoeding. De heer Bos schrijft het zo:
In ons gesprek heb ik met u besproken dat ik de door u geleden schade niet kan vergoeden. U heeft daar begrip voor.

Mijn commentaar hierop is tweeledig.
Laat ik het heel duidelijk zeggen, ik heb daar geen begrip voor. De uitsluiting van een schadevergoeding was een mededeling, geen vraag of onderwerp van discussie. Daar komt bij dat het mij niet verbaast, sterker nog, ik had het niet anders verwacht. Maar dat wil nog niet zeggen, dat ik het met die uitsluiting eens ben. Welk belang zou ik kunnen hebben om het daar mee eens te zijn? Ons complete vermogen is ons afgenomen en er wordt van mij verwacht het daarmee eens te zijn. Is dat de beroemde redelijkheid en billijkheid waar ons rechtssysteem op gebaseerd is?

Wat betekenen de termen redelijk en billijk? (bron Wikipedia)
Redelijkheid en billijkheid behelst de sociaal aanvaardbare normen zoals ze door het gewoonterecht, ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen zijn geformuleerd. Vroeger werd daarbij ook de term goede trouw gehanteerd.

Hoe luidt het overheidsbeleid? (bron: NIOD)
De getroffenen moesten alles terugkrijgen wat hen wederrechtelijk was ontnomen.
Ons is wederrechtelijk veel ontnomen, teruggekregen hebben wij niets. Rond 1950 hebben mijn ouders twee pogingen gedaan langs juridische weg ons vermogen terug te krijgen, maar toen werd hun claim niet ontvankelijk verklaard. In 2019 beroept het MJV zich op verjaring. Lijkt mij niet redelijk of billijk.

Teneinde een semantische discussie te voorkomen wil ik het eenduidig formuleren:
Ik heb er geen begrip voor, maar ik heb begrepen dat het Ministerie dat uitsluit.
Maar hoewel onze schade enorm is, in zowel materiële (zie schatting) als immateriële (voor mij niet te schatten) zin, claim ik helemaal geen schadevergoeding. Ik wil gewoon onze eigendommen terug.

Daarna schrijft de heer Bos in de vierde alinea
excuses voor de ongefundeerde verdenkingen …. en de gevolgen‘.
Namens de Minister neemt de heer Bos verantwoordelijkheid voor de verdenkingen én de gevolgen, maar sluit iedere aansprakelijkheid voor die gevolgen uit. Voor ons zijn verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid twee zijden van dezelfde medaille. Daarom verbaast deze uitsluiting ons niet alleen, het doet opnieuw pijn.

Het vervolg
Ik heb het eerder aangegeven, ik was absoluut niet uit op een juridische strijd, maar deze brief laat mij en mijn zusters weinig keus. Wij hebben opnieuw het gevoel dat ons onrecht wordt aangedaan. Als wij er samen niet uitkomen vragen wij een uitspraak aan de onafhankelijke rechter. Zonder die uitspraak laat het verleden ons niet los.
Tegen onze zin zijn mijn zusters en ik op 6 juni 2019 een procedure tegen de staat der Nederlanden begonnen.

De brief van onze advocaat

Met een beknopt overzicht van de gebeurtenissen tussen 1945 en 1950. Op aparte schermen.
      

12 juni 2019: De ontvangstbevestiging van de brief van onze advocaat door het ministerie. Het is opnieuw afwachten.

Onze doelstelling

Nog steeds is onze doelstelling een gesprek met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over onze eigendommen. De eigendommen die ons tussen 1945 en 1950 zijn afgenomen. Voor een gesprek over wat in juridische termen heet, revindicatie. Of zoals mijn vriend het eenvoudig uitdrukte: ‘Ik wil mijn fiets terug’.
Wij vragen geen schadevergoeding, geen compensatie, geen tegemoetkoming, wij eisen teruggave van onze eigendommen. Onze fiets.
Onze advocaat kijkt er iets anders naar. We gaan het zien.


Revindicatie
De betekenis van het woord revindicatie (bron: Wikipedia).
Revindicatie is het recht van de eigenaar van een roerende of van een onroerende zaak, om die van eenieder die deze zaak zonder recht onder zich heeft, op te eisen (artikel 5:2 BW). Dit vloeit voort uit het feit dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben (artikel 5:1 BW), hij heeft derhalve in principe het recht zijn eigendom terug te eisen. Omdat eigendom een absoluut recht is, kan de eigenaar dit recht in principe tegen eenieder inroepen.

Revindicatie wordt ook wel opeising van eigendom genoemd.

Als partijen daar samen in redelijkheid niet uitkomen vragen we de rechter om zijn oordeel.

Eind augustus ontvingen wij de volgende reactie:

Deze reactie beroept zich vrijwel uitsluitend op de eventuele verjaring. De laatste jaren zijn er vele uitspraken gedaan waarbij verjaring niet als argument tegen een vergoeding werd geaccepteerd (zie hieronder). Bovendien hebben mijn ouders direct na hun bewezen onschuld pogingen gedaan hun vermogen terug te krijgen. Zoals bekend zonder enig resultaat. Er werd toen niet naar strafbare feiten gekeken, maar kennelijk ging men op het gevoel af. En het gevoel was negatief. Pas in 2019 werd formeel erkend dat zij onterecht werden verdacht en dat zij daardoor hun (ons) vermogen zijn kwijtgeraakt. Toch beroept het Ministerie van JenV zich op verjaring. Het voelt niet als redelijk en billijk. Wij zijn benieuwd naar het oordeel van de rechter.


Voorbeelden van afwijzing verjaring.
2000 het kamerstuk 25389 nr 13, met de handtekeningen van onze ministerpresident Wim Kok, minister Els Borst en minister Gerrit Salm.
Belangrijk is dat het boek over dit verleden nooit gesloten mag worden, dat regering en samenleving zich daarvan bewust blijven en dat daar ook voor de toekomst conclusies aan verbonden worden. De regering erkent ten volle – terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu – dat er teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest. Daarvoor spreekt de regering oprechte spijt en verontschuldigingen uit naar degenen die toen hebben geleden, zonder overigens verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij degenen die toen verantwoordelijkheid droegen. Desalniettemin dringt zich uit de rapporten geen andere conclusie op dan dat de verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het beleid en de toepassing van wetgeving niet altijd op de juiste manier is genomen. Er zijn fouten en tekortkomingen geconstateerd die onder ogen moeten worden gezien en waar conclusies aan verbonden moeten worden.
De regering stelt voorop dat het voor rechthebbenden mogelijk blijft om verzoeken tot restitutie in te dienen. De Staat zal individuele claims van (nabestaanden van) rechthebbenden, die voortvloeien uit het rechtsherstel, onder bepaalde voorwaarden alsnog in behandeling nemen. Uit overwegingen van coulance zal in die gevallen worden afgezien van een beroep van louter verjaring.

Het MJenV beroept zich in 2019 echter precies daarop, verjaring. Lijkt mij in strijd met het bovenstaande kamerstuk.

2019
Juni
Over de misstanden in de jeugdzorg na 1945 (Commissie-De Winter)
Minister De Jonge: ‘Excuses en hulp op zijn plaats’
Beide ministers waren onder de indruk van het rapport. “Dit geweld had niet mogen gebeuren. Excuses en hulp zijn op zijn plaats”, aldus minister De Jonge. “We gaan met de slachtoffers in gesprek over een gepaste behoefte aan erkenning.”
“Wat er in het verleden is gebeurd, kunnen we niet veranderen, maar we kunnen wel proberen om recht te doen aan de slachtoffers van toen”, vervolgde hij. “Met behulp van het rapport kunnen we ervoor zorgen dat de kinderen van vandaag niet de getraumatiseerden van morgen worden.”

Den Haag geeft compensatie aan 9 nabestaanden en overlevenden van Joodse oorlogsslachtoffers.

Gerechtshof Den Haag

Geweld van militairen in Nederlands-Indië niet verjaard

De staat kan zich niet beroepen op verjaring in twee zaken rond martelingen en executies in voormalig Nederlands-Indië. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag dinsdag bepaald. Nabestaanden van zes Indonesische oud-strijders die zijn gemarteld of geëxecuteerd eisten bij de rechter een schadevergoeding voor misdragingen door Nederlandse militairen in 1947. De staat stelde bij het hof dat de claims verjaard zijn omdat de gebeurtenissen meer dan zeventig jaar geleden plaatsvonden. Daardoor zou het moeilijk zijn om bewijs te verzamelen. Volgens het hof zijn de feiten echter te ernstig en is er een „grote mate van verwijtbaarheid”. Dat er zoveel tijd verstreken is, kan het verzamelen van bewijzen inderdaad bemoeilijken, erkent het hof, maar daar hebben vooral de eisers last van.

Wordt vervolgd…..

Laatste bewerking op 1 oktober 2019