Jalna

Voorwoord van mijn boek

Amsterdam, dinsdag 25 maart 2008 rond lunchtijd.

Voor haar boek “Putten  De razzia en de herinnering” had Madelon de Keizer, historicus bij het Nederlands Instituut voor oorlogsdocumentatie (NIOD), vele gesprekken gevoerd met Puttenaren en hun nazaten. Omdat onze belevenissen in Putten een aanvulling vormden op haar verhaal belde ik met het NIOD en maakte een afspraak met haar voor mijn oudste zuster en mij.
Wij waren ruim op tijd op onze afspraak en bestelden een kop koffie. In gedachten verzonken wachtten wij op haar. Zij bleek iets jonger dan wij en ik vond haar een aangename gesprekspartner. Het gesprek over onze tijd in Putten was openhartig en persoonlijk en tegen het einde ervan maakte zij, bijna terloops, de opmerking:

Dus jullie zijn kinderen van NSB’ers”.

Zij zei het niet beschuldigend, gewoon constaterend en vol empathie. Zij legde daarbij haar hand op mijn arm, zoals ik dat als huisarts bij moeilijke gesprekken met patiënten ook had gedaan. Het schept een band, het geeft warmte. Mijn zuster en ik zwegen. Ik, omdat ik eigenlijk niet wist hoe te reageren, mijn zuster uit frustratie en boosheid, maar dat bleek pas later.
Voor mij was deze opmerking de eenvoudige constatering van een feit. Volgens Madelon de Keizer was dat zo. Ik accepteerde dat gewoon, vermoedelijk ook omdat het eigenlijk overeen kwam met hetgeen ik dacht.
Mijn zuster had er een volstrekt andere perceptie bij, maar wachtte tot wij afscheid hadden genomen en alleen waren. Verdrietig en boos zei zij tegen mij: “Het is niet waar. Onze ouders waren geen NSB’ers. Dat weet ik zeker. Dat hebben zij mij zelf verteld.”.
 
Een tweeledig probleem
Dit korte contact met Madelon de Keizer toonde onze twee problemen.

Ons eerste probleem was dat men onze ouders in Nederland als “fout” zag.
Als je van 1932 tot 1942 in Berlijn had gewoond en gewerkt, dan was je “fout”. Deze redenatie had door zijn eenvoud iets aantrekkelijks. Maar was het daarom ook waar? Hadden wij in Londen, Parijs of Rome gewoond was er vermoedelijk niets aan de hand geweest, maar Berlijn maakte ons “fout”. Per definitie. Wanneer en waarom die keuze werd gemaakt deed verder niet ter zake. Hoe zij dachten over de Nazi’s evenmin. Berlijn was synoniem met “fout” en is dat nu nog. Vanuit die redenatie is het vrij logisch dat mijn ouders “verdacht” werden van collaboratie met de vijand. Zelfs de bewijsbare kritische instelling van mijn ouders naar de Nazi’s, de Duitser noemt dat “die Gesinnung“, maakt voor een Nederlander niet uit. Een echt bewijs voor hun instelling werd niet nodig geacht, de verdenking was voldoende voor een reeks van maatregelen. Zo werden wij als compleet gezin geïnterneerd (ja, ook ik als kind van nog geen twee jaar oud). Tevens werd ons vermogen onder beheer van wildvreemden gesteld en de uitgeverijen werden stilgelegd en uiteindelijk geliquideerd.

Maar belangrijker vind ik ons tweede probleem.
Er waren twee verdenkingen tegen mijn ouders, collaboratie met de vijand en nazi-propaganda in door mijn vader uitgegeven boeken.
In 1949, na vier jaar onderzoek, kwam het Nederlands Beheersinstituut (NBI) tot de conclusie dat mijn ouders geen enkel strafbaar feit hadden gepleegd. Er was geen collaboratie met de Duitse bezetter en nazi-propaganda bleken de boeken, ondanks de bemoeienis van de kultuurkamer met de uitgeverij, niet te bevatten. Beide verdenkingen bleken ongegrond, al in 1949.
Het NBI betreurde wel de maatregelen en de gevolgen van het rampzalige beheer, maar daar bleef het bij. Zie hiervoor ook de pagina bronnen. Restitutie van ons vermogen werd geweigerd. Een verlies van omgerekend naar 2018 ruim drie miljoen euro’s. Een bizar groot verlies, veroorzaakt door wanbeheer waar het NBI verantwoordelijk voor was, maar geen enkele verantwoordelijkheid voor nam.
Maar voor mij blijft het grootste probleem dat de verdenkingen door het NBI nooit formeel en ondubbelzinnig werden weggenomen.

Na enkele kostbare en vergeefse juridische acties gaven mijn ouders gedesillusioneerd de strijd op. Daar kwam nog bij dat men weigerde het beroepsverbod van mijn vader op te heffen. Wat nu? De stoeterij bestond niet meer, de waardevolle paarden waren met verlies verkocht, ons vermogen was veranderd in een schuld en werken in zijn oude beroep mocht mijn vader niet. Mijn ouders zagen geen andere uitweg dan Nederland in 1949 voor de tweede keer te verlaten en in Duitsland helemaal opnieuw te beginnen. Wij verhuisden naar Darmstadt en trokken ons terug op ons gezin. Vermoedelijk was hiermee ook de basis voor de breuk binnen ons gezin gelegd. Met de scheiding in 1957 sloot mijn vader dit verleden met de negatieve herinneringen voor zichzelf echt af. Hij woonde en werkte de rest van zijn leven in Duitsland. Hij bleef wel Nederlander, maar kwam niet vaak meer naar Nederland. Hij was in 1949 echt geëmigreerd.
Mijn moeder, mijn zusters en ik negeerden het verleden. Wij spraken er niet over. Nauwelijks met elkaar en zeker niet met anderen.

Mijn ballingschap begon.


De zoektocht

Mijn zoektocht vond overwegend plaats tussen 2007 en 2017. Af en toe kwam ik daarbij informatie tegen waar ik verdrietig of boos van werd, maar met het eindresultaat ben ik bijzonder blij. Ik meen nu te weten wat er gebeurd is, welke rol mijn ouders hebben gespeeld en hoe en waarom veel mensen in Nederland vooral op gevoel oordeelden. En veroordeelden. Daardoor ontstaat wat ik noem “het wij en zij”.

Nederlanders die zich niet in zo’n situatie hebben bevonden kunnen zich onze houding en ons zwijgen niet goed voorstellen. En ook niet waarom wij een dubbel gevoel hebben bij 4 en 5 mei. Ik begrijp dat, je moet het mee hebben gemaakt om het mechanisme dat dan in werking treedt de kunnen doorgronden.
Goede informatie betreffende dit onderwerp is te vinden op: Het laatste taboe van Nederland.
 

Mijn commentaar op dit al enigszins gedateerde artikel:
In dit op zich goede artikel uit het jaar 2002 wordt zeer helder beschreven hoe kinderen van NSB’ers zich voelden in de jaren na de oorlog. En welke problemen dat met zich mee bracht. Maar ik wil er wel twee kanttekeningen bij plaatsen.

Ten eerste:
Ik heb ernstige bezwaren tegen de in het artikel vaak gebruikte term “NSB-kinderen”. Het zijn geen NSB-kinderen. Het zijn hooguit kinderen van vroegere NSB-leden. De term NSB-kinderen suggereert dat die kinderen iets met de NSB hadden en roept negatieve associaties op. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Ik vind het uitermate slordig om deze term te gebruiken, zeker in een artikel over de problemen van deze kinderen.

Ten tweede:
Hans Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) schrijft in het artikel:
‘In beginsel is het een geschikt onderwerp voor het NIOD. Maar we kunnen niet alles tegelijk. Er wordt door medewerkers van het instituut overigens wel degelijk onderzoek gedaan naar “foute” Nederlanders, maar dat betreft vooral de ouders en niet de kinderen. In eerdere grote studies naar andere groepen oorlogsslachtoffers is de tweede generatie altijd buiten het onderzoek gehouden. Dat zal wel met financiën te maken hebben, want als je ook latere generaties als slachtoffers gaat aanwijzen, zou de overheid met enorme geldclaims geconfronteerd kunnen worden.’

Ik vind de argumentatie weinig overtuigend. We kunnen niet alles tegelijk. Ik vind dat een dooddoener, zoals een ober die je te kennen geeft: mijn collega komt zo bij u. Zeg dan gewoon dat het geen prioriteit heeft, durf eerlijk te zijn. Zijn tweede argument, die van de financiën snijdt volgens mij veel meer hout. Als er maar geen schadeclaims van komen. Waar hoor je dat in 2018 toch meer…?
Ik vind dat onze overheid (de gemeenschap) dit project in opdracht had moeten geven en had moeten financieren. En ik vind dat het NIOD daartoe meer druk had moeten uitoefenen op onze gemeenschappelijke overheid. Ook als afstudeerproject was het een mogelijkheid geweest. En is het nu nog steeds.