Jalna, ons huis in Putten (Gld)

Een ongemakkelijk gevoel

Over de lotgevallen van gewone mensen rond de tweede wereldoorlog zijn vele boeken geschreven. Boeken met aangrijpende verhalen over goede Nederlanders en slechte Duitsers, waarbij het volstrekt helder is wie goed was en wie fout.
Mijn verhaal voelt ongemakkelijk, omdat ik vertel over goede Nederlanders, die te lijden hadden onder andere goede Nederlanders. En ik vertel over mijn Nederlandse overheid die zijn verantwoordelijkheid niet neemt en zijn eigen burgers in de steek laat. Een overheid die in 2018 nog steeds financieel profiteert van gebeurtenissen na de bevrijding (bron: Nationaal Archief), maar die geen recht doet aan het onrecht dat gedaan is.
In 2019 neemt Justitie eindelijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen van toen, maar sluit iedere aansprakelijkheid expliciet uit.
Dat is niet alleen verwarrend voor mij als getroffene en schrijver, maar vermoedelijk ook voor de lezer. Het geeft een ongemakkelijk gevoel.

De achtergronden

Na de bevrijding van Putten (18 april 1945) waren anonieme verdachtmakingen van twee personen, gesteund door de toenmalige burgemeester van Putten, voldoende om het Nederlands Beheersinstituut (NBI) in actie te laten komen. Zonder verhoor, proces of veroordeling, uitsluitend op grond van deze beschuldigingen, nam het NBI ingrijpende maatregelen tegen ons gezin. De verdenkingen werden nergens duidelijk geformuleerd en zijn uitsluitend af te leiden uit de documenten en het verhaal.

Mijn ouders werden verdacht van:
1. Collaboratie met de Duitse bezetter.
2. Het uitgeven van NS-propaganda in de twee uitgeverijen van mijn vader, Berlijn en Den Haag.

Hoewel het NBI in 1949 in een kort briefje concludeerde dat de verdenkingen ongegrond waren geweest werden deze nooit formeel weggenomen. De verdenkingen bleven tot 2018 doorsudderen. Met ernstige consequenties voor ons gezin, zowel binnen als buiten de familie.
Voor informatie over het NBI klik hier

De vijf maatregelen van het NBI
De eerste maatregel was internering van ons complete gezin bestaande uit mijn ouders, mijn zusters van tien en negen en mij, twee jaar oud. Onze internering vond plaats in het kamp Harderwijk en duurde voor mijn moeder zes maanden, voor mijn vader zeven maanden en voor ons kinderen enkele weken.
Als tweede maatregel werden al onze eigendommen onder beheer gesteld van verschillende met elkaar ruziënde beheerders.
Verdere maatregelen van het NBI waren een beroepsverbod voor het besturen van een uitgeverij van mijn vader voor 5 jaar, het inhouden van onze paspoorten en het ontnemen van het kiesrecht voor mijn ouders voor 10 jaar. Alleen op grond van de verdenkingen en zonder enig juridisch bewijs.
Deze maatregelen worden door rechtsfilosoof Veraart genoemd ‘Ontrechting’.
‘Ontrechting’ is een proces dat – anders dan diefstal en roof – erop is gericht om specifieke categorieën mensen uit de rechtsorde te verwijderen door hen systematisch aan te tasten in hun capaciteiten om als rechtssubject aan het rechtsverkeer deel te nemen.
Dit is een term die de kern van ons probleem treft en voor onze ouders en ons kinderen langdurige en complexe gevolgen heeft gehad.

Voor meer informatie over ‘Ontrechting’ klik hier.

Begin 1946, na hun ontslag uit internering, werden mijn ouders in Den Haag voor het eerst verhoord.
Er bleek geen aanklacht, akte of formele verdenking te bestaan. Zij werden direct in vrijheid gesteld. Toch bleef Putten verboden terrein voor mijn ouders, inclusief ons huis. Mijn vader is er nooit meer geweest, mijn moeder slechts een keer om enkele persoonlijke dingen op te halen. Met mijn oudste zuster die zich dat bezoek nog goed kan herinneren.

Vlucht uit Nederland
Tijdens ons verblijf in Den Haag kwamen uit Putten opnieuw zeer ernstige anonieme verdachtmakingen, mijn vader werd met Blokzijl vergeleken. Na de interneringen maakten deze beschuldigingen mijn ouders erg onzeker. Zij durfden niet in Nederland te blijven en overwogen om te emigreren naar Brazilië. Het werd uiteindelijk Frankrijk, waar wij gedurende drie jaar onderdoken, illegaal en in grote armoede. Mijn jongste zuster werd er geboren.
Achteraf bleken de anonieme beschuldigingen afkomstig te zijn van enkele tijdelijke bewoners van Jalna, ons huis in Putten. Na de brand en vernietiging van vele huizen had de gemeente Putten deze voor ons onbekende mensen (niet uit Putten) in ons huis geplaatst en ondersteunde actief de verdachtmakingen. Vijf personen maakten vele jaren gebruik van ons huis en onze eigendommen zonder enige huur te betalen. Eén bewoner bleek zijn familie te hebben verloren in Auschwitz. Zijn boosheid en verdriet begrijp ik, zijn agressie naar ons toe niet. Contact is er nooit geweest.
Voor een open gesprek over deze periode heb ik pogingen gedaan nazaten van deze mensen te achterhalen, het is mij helaas niet gelukt. Nazaten van een andere bewoner, die niet betrokken was bij de verdachtmakingen, vond ik wel. Het leverde een emotioneel contact op.

Onwettige acties (taxaties en verkopen)
De door het NBI aangestelde beheerders lieten onze eigendommen taxeren en deels verkopen. Zij kochten, ondanks een uitdrukkelijk verbod daartoe, voor zichzelf voorwerpen uit onze inboedel, tegen spotprijzen. In september 1949 werden nog voorwerpen en paarden verkocht, ondanks de formele opheffing van het beheer vier maanden eerder. Ik bezit documenten die dit bewijzen. Het NBI waarschuwde de beheerders en documenteerde deze onwettige handelingen, maar greep niet in.
Door zeer lage taxaties (een platinahorloge was getaxeerd op ƒ. 25,00 en een zilveren schaal van twee kilogram op ƒ. 40,00) bleken de opbrengsten van de verkopen veel lager te zijn dan de beheerskosten van het NBI, hetgeen resulteerde in een enorme schuld (bron NBI).

Gedwongen verkopen
De beide uitgeverijen en de zeer waardevolle stoeterij van volbloed racepaarden werden met verlies geliquideerd.
De beheerder weigerde de afgesproken hypotheekrente te betalen. Daarop liet de hypotheekverstrekker ons huis veilen, eveneens met verlies.

Onze inboedel
Uit onze inboedel waren veel economisch en emotioneel waardevolle voorwerpen gewoon verdwenen. De meeste hiervan werden nooit teruggevonden. Ik noem onze fotoalbums, juwelen uit de familie, vele waardevolle historische boeken (mijn vader was uitgever) en familiezilver met daarop de monogrammen van de familie van mijn vader. Van alles bestaan zeer gedetailleerde overzichten.

Al deze maatregelen moesten volgens het NBI niet worden gezien als straf.
Dat wij daar een ander gevoel bij hebben zal niemand verbazen.

Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR)
Na de Tweede Wereldoorlog ondergingen ruim 300.000 Nederlanders de zogeheten ‘bijzondere rechtspleging’. Al deze mensen werden aanvankelijk verdacht van samenwerking met de Duitse bezetter, verraad, NSB-lidmaatschap of het in dienst treden bij het Duitse leger. Ieder van deze Nederlanders heeft een dossier in het CABR, ook mijn ouders. Het betreft zowel mensen die tot een zware straf zijn veroordeeld, als mensen van wie is gebleken dat de verdenking ongegrond was. Dat laatste is mijn ouders overkomen. Toen het NBI vier jaar later constateerde dat de verdenkingen ongegrond waren geweest bleek het complete vermogen van mijn ouders te zijn verdwenen. Teruggekregen hebben wij nooit iets en de verdenkingen bleven sluimerend bestaan. Tot in 2019.

Onderduikers
Uit incidentele verhalen van onze vroedvrouw, verpleegster en vriendin Suta herinner ik mij het aantal van 28. Volgens haar waren achtentwintig mensen op verschillende momenten bij ons in huis ondergedoken geweest en hadden daar veiligheid gevonden. Eén van die onderduikers (de heer Van der Born) heeft de moeite genomen om na de bevrijding een verklaring af te leggen bij de Politieke Opsporings-Dienst (POD). In het proces-verbaal beschrijft de heer Van der Born, hoe hij bij ons aanklopte en zonder aarzeling onderdak had gekregen. Hij verbleef twee weken bij ons tot het voor hem weer veilig was om te vertrekken. Dat was in november 1944 korte tijd na de beruchte razzia van Putten op 1 en 2 oktober 1944. Mijn moeder schrijft hierover in haar brief van 18 november 1944 aan Heddy de Geer, de vrouw van Pyke Koch. De heer Van der Born trof bij ons (naast ons gezin) nog een gezin aan van vijf personen en twee jongens uit Rotterdam. Deze personen worden genoemd in het proces-verbaal. Namen van het gezin en de twee jongens heb ik helaas niet. Enkele weken eerder, tijdens de genoemde razzia, was de net bevallen vrouw van de Puttense huisarts dokter Lenstra en haar zojuist geboren dochter bij ons in huis.
Zie: Tijdlijn met documenten

In 1949 verklaarde het NBI de twee verdenkingen tegen mijn ouders ongegrond.
Er was geen collaboratie geweest en mijn vader had geen NS-propaganda gemaakt. Het NBI betreurde de maatregelen en hun gevolgen.
Maar een echt bewijs van onze onschuld kregen wij niet en en ons vermogen waren wij kwijt. Het totale verlies voor ons gezin bedroeg ruim 500 duizend gulden (volgens de normen van het CBS omgerekend naar koopkracht van nu ruim drie miljoen euro).
Zie: Het NBI en ons vermogen
Na de beide brieven van het NBI van 1949 durfden mijn ouders vanuit Frankrijk met het gezin terug te keren naar Nederland. Ons huis in Putten bleef voor ons verboden terrein. En in ons gevoel bleven wij verdacht. Dat was het begin van onze ballingschap. Niet alleen gevoelsmatig, maar daadwerkelijk. Een ballingschap met consequenties voor ons hele leven.

Wat waren de gevolgen van de ‘ongegronde verdenkingen’ na 1949?
In de jaren die volgden bleven de verdenkingen bestaan, zelfs binnen onze familie. Voelbaar, maar onbespreekbaar, want onze onschuld konden wij niet bewijzen.
Ondanks de ontlastende uitspraak van het NBI in 1949, mocht mijn vader de uitgeverij in 1950 niet herstarten en moesten wij een tweede keer Nederland verlaten. Berooid. Mijn vader liet zich in 1957 scheiden en is niet meer terug gekomen naar Nederland. Enkele jaren later zijn wij, zijn kinderen, naar Nederland terug gekeerd. Een echt vrij gevoel hadden wij daarbij nooit.
Vele jaren later (rond 1992) schreef de journalist Adriaan Venema (1941-1993) een serie van vijf boeken met de titel ‘Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie’.
In deel 4 beschuldigde hij mijn vader wederom uitgebreid van collaboratie en NS-propaganda, let wel, ruim 40 jaar na de ongegrond verklaarde verdenkingen. De beide conclusies van het NBI uit 1949 noemde hij niet.
Mijn ouders hebben de publicatie in 1992 gelukkig niet meer meegemaakt, zij waren toen al overleden.
Op 14 november 2018 schreef ik een eerste mail aan de uitgever (de Arbeiderspers) met de door mij gevonden informatie en het verzoek om een reactie. Na een reminder ontving ik in november 2019 excuses voor de onzorgvuldigheid. Er is overleg met de KB voor commentaar op de daar aanwezige boeken uit die serie. Daar kunnen wij mee leven.
Zie: Tijdlijn met documenten

Situatie in 2007
In 2007 noemde men in Putten mijn vader in de oorlog nog steeds ‘behoorlijk fout’.
Zowel het boek uit 1992 als de mail van de gemeente Putten uit 2007 tonen aan dat de verdenkingen bleven bestaan. De ‘ongegronde verdenkingen’.
Naar aanleiding van mijn boek heeft de gemeente Putten in 2018 mijn ouders gerehabiliteerd. In goed overleg tussen de gemeente en ons kinderen zijn de verdenkingen besproken en weggenomen. Putten heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, de kou is uit de lucht.
Begin 2019 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid schriftelijk bevestigd dat mijn ouders onrecht is aangedaan en excuseert zich ervoor. Voor ons kinderen een enorme opluchting.
Toch is de brief van de minister tegelijkertijd ook zeer teleurstellend.
Want teruggave van ons vermogen wordt expliciet uitgesloten. Zonder enig argument. In mijn gevoel is dat niet redelijk en billijk, zelfs onrechtmatig.
Zoals mijn vriend het uitdrukte: ‘Je wilt gewoon je fiets terug’.
De juridische term hiervoor is revindicatie, het gaat niet om een schadevergoeding of om compensatie. Geef gewoon mijn fiets terug.
Revindicatie is het recht van de eigenaar om een bepaald goed terug te vorderen.

Hoe luidt het overheidsbeleid? (bron: NIOD)
De getroffenen moesten alles terugkrijgen wat hen wederrechtelijk was ontnomen.
Ons is wederrechtelijk veel ontnomen, teruggekregen hebben wij niets.
Verder zegt de overheid ook nog:
De Commissies probeerden in overleg met het NBI en de klagers de klachten op te lossen. Lukte dit niet, dan werd de klacht ter beoordeling voorgelegd aan de minister van Justitie.
Mijn ouders lukte het niet de klachten op te lossen en er bestaat geen formele reactie van de minister. Verschillende advocaten deden vergeefse pogingen het tij te keren. Mijn ouders hebben de strijd gedesillusioneerd opgegeven.

Mooie woorden dus, maar de werkelijkheid is teleurstellend voor de getroffenen. In ieder geval voor ons. Voor het desastreuze beheer ontvingen mijn ouders in 1955 zelfs nog een forse rekening. Beschamend.

Mijn conclusie
Dat er direct na de bevrijding fouten zijn gemaakt is voor mij volstrekt logisch. Het was een chaotische tijd en het NBI als organisatie moest in hele korte tijd uit de grond worden gestampt om tussen de 150.000 en 300.000 gevallen te gaan verwerken. Gezien deze aantallen is het te voorzien dat er dingen mis gaan. Dat is niet anders en daar kan ik goed mee leven, maar dat die fouten later niet zijn hersteld vind ik teleurstellend en onfatsoenlijk. Ik vind dat onze centrale Nederlandse overheid, als eindverantwoordelijke instantie, ons gezin na 1949 in de steek heeft gelaten en dat anno 2019 nog steeds doet. Voor mij is dat onbegrijpelijk. Het ondermijnt mijn vertrouwen in mijn overheid en het strookt niet met de uitgangspunten van een (door de overheid zelf geformuleerd) beleid, gebaseerd op redelijkheid en billijkheid. Voor mij voelt dat als onrechtmatig. En het doet pijn.

‘Jalna’, beknopte reconstructie van een cruciale periode

Rond de jaren 1930 tot 1950 werden veel mensen voor grote dilemma’s geplaatst. Vaak werden zij gedwongen om te kiezen tussen twee kwaden. Ook mijn ouders overkwam dat en achteraf bleken niet al hun keuzes even gelukkig. Door Nederlandse tijdgenoten, maar ook door latere generaties werd er vaak met onbegrip en afkeuring naar gekeken. Men verplaatste zich nauwelijks in de achtergronden van hun keuzes en trok al snel de conclusie, dat was fout. Men dacht vooral in uitersten, goed of fout, zwart of wit, zelden in grijstinten. Na de bevrijding leverde dat voor vele mensen grote problemen op, ook voor mijn ouders en daarmee voor ons kinderen. Met ernstige consequenties voor ons verdere leven. In zowel materiële als immateriële zin.

Het huwelijk van mijn ouders bleek niet bestand tegen alle problemen die zij te verwerken kregen. In 1957 kwam het tot een scheiding. Mijn beide oudere zusters maakten de scheiding op afstand mee, zij waren al heel jong uit huis. Mijn jongste zuster en ik waren tien en veertien jaar oud en beleefden de scheiding daadwerkelijk. Zo moesten wij met onze moeder uit ons huis vertrekken, waarna ik mijn vader nog maar incidenteel zag.

Uit zichzelf vertelden mijn ouders zelden over hun verleden en ernaar vragen deden we liever niet. Mede daardoor was ik met ons verleden in mijn jeugd niet bezig en later, tijdens mijn HBS-B schooltijd en eindexamen, militaire diensttijd, studie geneeskunde en werkzame gezinsleven, had ik er onvoldoende tijd en aandacht voor. Mijn kennis over ons verleden vertoonde dus grote hiaten. Pas toen ik begin 2008 stopte met werken drongen die hiaten zich aan mij op en zocht ik naar antwoorden op de vragen. Hierdoor ontstond er bij mij de behoefte om te achterhalen hoe het echt geweest was. Dat bleek niet eenvoudig.

Mijn ouders waren al in 1980 en 1986 overleden en mijn jongste zuster werd pas na de oorlog geboren. Van hen was dus geen informatie te verkrijgen.
Alleen mijn beide oudere zusters (geboren in 1935 en 1936) hadden de meest cruciale jaren (1944 en 1945) bewust beleefd en wisten zich dingen te herinneren.
Mijn tweede zuster wilde niet aan ons verleden herinnerd worden en sprak er liever niet over. Het deed haar te veel pijn en mijn openheid zorgde voor onzekerheid.
Alleen mijn oudste zusters kon mij van informatie voorzien, maar als direct betrokkene was zij in mijn ogen niet voldoende objectief. Daardoor kon ik feiten en fictie niet van elkaar scheiden.
Voor het juiste verhaal had ik bewijzen nodig, met harde feiten uit betrouwbare documenten.

Er bleef mij maar één mogelijkheid over, zelf op zoek gaan. In archieven, met als belangrijkste, het Nationaal Archief in Den Haag. De hulp die je daarbij door de archiefmedewerkers wordt geboden is bewonderenswaardig. Het werd een zoektocht van ruim tien jaar. De gevonden feiten vormden de ‘kapstok’ van mijn verhaal. Een kapstok bestaande uit een volle ordner met kopieën van een grote hoeveelheid ongeordende documenten, zo veel mogelijk in chronologische volgorde. In 2007 had ik deze documenten fotografisch vast kunnen leggen. Enkele jaren later werd dat verboden. Gelukkig was ik toen al in het bezit van de belangrijkste documenten in digitale vorm en kon ik ermee aan de slag. Ik ging lezen, interpreteren, ordenen en tenslotte schrijven.

Mijn zoektocht resulteerde niet in een roman, maar in het verslag van de lotgevallen van ons gezin, bestaande uit mijn ouders, mijn drie zusters en mij, aangevuld met wat het met mijn leven heeft gedaan en hoe ik nu in het leven sta. Daarbij waren mijn zusters aanvankelijk tegen mijn plan om er een boek van te maken. Pas geleidelijk aan kreeg ik mijn zusters daarin mee. Daarbij zou ik er het liefst een gemeenschappelijk verhaal van hebben gemaakt, maar dat bleek een stap te ver. Het moest mijn verhaal blijven, mijn zusters wilden er niet persoonlijk bij betrokken worden.

Het werd voor mij het ‘juiste verhaal’, in de zin van het bewijsbaar correcte verhaal. Maar wel mijn verhaal en dus mijn waarheid.

Vroeger begreep ik het zwijgen binnen ons gezin niet, nu, nadat ik er zo intensief mee bezig ben geweest en veel over die periode heb gelezen, begrijp ik het wel. Denken aan en praten over het verleden veroorzaakte bij mijn ouders, maar ook bij mijn zusters te veel pijn, deels nu nog. Maar omdat ik anders in elkaar zit wilde ik de waarheid hoe dan ook weten. Hoe zat het nou echt? Hetgeen niet betekent dat ik daarbij niet ook die emoties doormaakte en af en toe ook die pijn voelde. Maar uiteindelijk geeft het mij grote voldoening deze zoektocht te hebben volbracht.

De foto links werd eind 2007 gemaakt in het gezondheidscentrum waar ik huisarts was. Ik was net 65 geworden en zou korte tijd later stoppen.
De foto rechts toont de kaft van mijn boek, met een in Frankrijk gemaakte foto van eind 1948 of begin 1949 van mijn drie zusters en mij. Ik draag de alpinopet. Rechts mijn oudste zuster, achteraan mijn tweede zuster en vooraan mijn in Frankrijk geboren jongste zuster.

Mijn belangrijkste doelstelling was het vastleggen van het juiste verhaal voor mijn familie. Daarom maakte ik er een duurzaam boek van, met een harde kaft en gedrukt op hoogwaardig papier om de vele foto’s en documenten goed te laten uitkomen. Het werd een persoonlijk bewaarboek en gedrukt in een oplage van honderd exemplaren. Voor mij werd het een kostbaar project, in zowel tijd, geld als emoties.

Voor een vergroting klik op de foto’s.

Binnen twee maanden waren alle honderd exemplaren van Jalna verkocht.
Daarmee had ik mijn hoofddoelen bereikt:
Mijn verhaal was vastgelegd, veel mensen konden het lezen en het was geen geheim meer. Mijn ballingschap was over.

Om die reden had ik ook geen plannen voor een tweede druk, ik vond het wel goed zo. Maar op mijn verhaal ontving ik zo veel reacties en nieuwe informatie, dat ik die eveneens in het verhaal moest en wilde opnemen. Dat maakte een volgende druk noodzakelijk. En door de techniek van POD (printing on demand) is het relatief eenvoudig om wijzigingen aan te brengen voorafgaande aan een nieuwe druk in kleine oplage.
De 4e druk verscheen in november 2018 en de 5e druk is in voorbereiding.

Voor meer informatie over de vervolgstappen klik hier